In 1666, het tweede jaar van de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog, bemoeide Johan de Witt zich intensief met de oorlogsvloot van de Republiek. In juni bevond hij zich op de wateren rond Texel; eind augustus verbleef hij voor de Zeeuwse kust, vanwaar hij de vlootbewegingen nauwlettend volgde. Na weer enkele weken in Den Haag te hebben doorgebracht, waar hij de verrichtingen ter zee op afstand observeerde, vertrok hij opnieuw. Op 27 september scheepte hij in op het fregat De Prins te Paert, dat koers zette naar het admiraalsschip De Seven Provinciën, waar De Witt tot 13 oktober aan boord bleef.

Wachten op zee
Waar de geschiedschrijving zich doorgaans concentreert op de grote zeeslagen, tonen de brieven uit deze periode vooral een ander aspect van de oorlog ter zee: het wachten. Wachten op het bijeenkomen van eskaders, op ondersteuning, op gunstige winden en vooral op de vijand. De Engelse vloot likte haar wonden na de zware schade die zij tijdens de Vierdaagse Zeeslag had opgelopen en moest bovendien herstellen van de gevolgen van de Grote Brand van Londen, die in september 1666 grote delen van die stad in as had gelegd.
De vloot van de Republiek bleef intussen in beweging, maar zonder tot een beslissende confrontatie met de vijand te komen. Dat blijkt uit de ondertekeningen van De Witts uitgaande brieven. Hij schreef achtereenvolgens vanuit: ‘gaende onder zeyl voor de Maeze’ (27 september), ‘leggende ten ancker ontrent acht mylen bewesten het Noordtvoorlandt’ (29 september), ‘gedreven zynde tot dwars van Walcheren’ (6 oktober), ‘leggende ten ancker, naer gissinge dwars van de Maeze’ (8 oktober) of ‘zeylende tusschen ’t eiland van Schouwen ende Goeree’ (13 oktober). De vloot manoeuvreerde, maar bleef in wezen afwachtend.
Van postverkeer naar proviandering
In een brief van 1 oktober 1666 richtte De Witt zich tot Jacob Quack, sinds 1663 postmeester te Rotterdam. Hun relatie was niet louter zakelijk. Quacks eerste echtgenote, Catharina van Berckel, was een nicht van Johans schoonzus Maria van Berckel, de vrouw van zijn broer Cornelis. De familieband werd door Quack benadrukt in een brief van 19 juni 1660, waarin hij zich nadrukkelijk op deze verwantschap beriep. Tussen 1659 en 1668 correspondeerde hij geregeld met De Witt, meestal vanuit Rotterdam, maar ook vanuit Maassluis of Hellevoetsluis.
In zijn brieven hield Quack De Witt nauwgezet op de hoogte van de bewegingen van de Engelse vloot; informatie van strategisch belang in oorlogstijd. In vredestijd lag zijn expertise vooral bij het postverkeer van en naar Antwerpen en Engeland. De oorlog verstoorde echter het reguliere verkeer met Engeland: postboten werden opgehouden of konden niet uitvaren. Quack verlegde zijn activiteiten daarom naar de bevoorrading van de oorlogsvloot.

Al op 28 oktober 1665 had Quack aan De Witt geschreven dat anderen die taak onvoldoende vervulden. Op basis van zijn ervaring bij de Groenlandvaart (walvisvaart) bekritiseerde hij de kwaliteit van de geleverde waren: schraal vlees uit Holstein, slecht gebrouwen bier, brood vol zemelen. Dat kon, zo stelde hij, beter. Tevens wees hij op de inefficiëntie van afzonderlijke bestellingen- onder meer door kapiteinsvrouwen – en pleitte hij voor centralisatie en kwaliteitscontrole.
Een bestelling vanaf de vloot
Dat Quack daadwerkelijk als leverancier kon optreden, blijkt uit de brief. De bewaard gebleven minuut – niet in De Witts eigen hand – vermeldt als locatie: ‘De Seven Provinciën drijvende omtrent 8 mijlen van ’t Voorlandt, ’t selve ontrent West ten Zuijden van ons’. De Witt reageerde op een schrijven van Quack van 29 september (nu verloren gegaan).

De inhoud is opvallend concreet. De Witt bestelde twee halve vaten goed Rotterdams bier en verder de volgende lijst:
- 100 bosschen endijvie
- 200 roode en witte koolen
- 200 bossen sucreijpeen (suikerwortel)
- een tonne goede peeren
- 300 eijeren
- 100 bossen geele peen
- een tonne appelen
- een paar versche Edamsche kaesen
- een halve sack grauwe erten
- wat Turksche boonen
- een tonneken goede aberdaen (ook wel ‘labberdaan’ = gezouten kabeljauw)
- twee Comijnde Caesen
- een kinnetje groene seep en twaelf pondt wijnmoer om te schuijren
- twee tonnen tarwen meel om broot te backen
Daarnaast verzocht hij Quack om ‘met alle vaartuigen telckens afsenden’ een tonnetje gekarnde melk en enige verse broden. Bij de brief werd een zakje met tweehonderd dukatons gevoegd ter bekostiging van de aankopen. De Witt verlangde wel een gespecificeerde rekening; een punt waarop hij in een brief van 28 oktober 1666 terug zou komen, omdat de ontvangen declaraties niet aan zijn eisen voldeden.

De bestelling laat zien hoezeer het functioneren van een oorlogsvloot afhankelijk was van logistiek en organisatie. Verse groenten, zuivel en fruit waren geen luxe, maar noodzakelijk om ziekte en uitputting tijdens lange perioden van inactiviteit te voorkomen. De zorg voor voeding, hygiëne en administratie vormde een onmisbare voorwaarde voor militaire paraatheid.
Jacob Quack’s maritieme netwerk
Jacob Quack was meer dan een postmeester. Hij had zich opgewerkt tot schepen van Rotterdam, was begonnen in het personenvervoer in combinatie met postdiensten, onderhield een zeetijdingendienst voor Rotterdamse kooplieden en zette loodsen in om de gevaarlijke ondiepten van de Maasmond te vermijden. Hij liet bovendien twee gedetailleerde wandkaarten van de monding van de Maas vervaardigen, in losse delen te koop aangeboden. Zijn nautische kennis en logistieke netwerk maakten hem tot een waardevolle schakel tussen wal en vloot.

De brief met de bestellijst illustreert wederzijds vertrouwen, gebaseerd op familiebanden, langdurige correspondentie en praktische ervaring. Zij biedt een zeldzaam inkijkje in de materiële realiteit van de oorlog op zee, waar politieke besluitvorming, familieconnecties en de aanvoer van andijvie en Edammer kazen samenkwamen op het dek van De Seven Provinciën.
Hanna de Lange
Verder lezen
Alsemgeest, Alex, The postal map of Jacob Quack (Blogpost 2019).
Bisschop, Geeske, ‘Concurrentie in het postsysteem’ (Blogpost JohandeWitt.nl, 2022)
Delft, Marieke van, Reinder Storm en Peter van der Krogt, De geschiedenis van Nederland in 100 oude kaarten (Tielt: Lannoo, 2019).
’t Hoff, B. van, Jacob Quack postmeester van Rotterdam (Rotterdam: Nijgh & Van Ditmar, 1965).
Lucie, J. Elias, ‘De postmeester Jacob Quack’, Rotterdamsch Jaarboekje, 3e reeks, 3e jaargang (1925), pp. 126-167.
Rowen, Herbert H., John de Witt, Grand Pensionary of Holland, 1625-1672 (New Jersey: Princeton University Press, 1978).

