Het jaar 1671 was het laatste hele jaar dat Johan de Witt leefde en regeerde. Van hem zijn uit dat jaar 276 brieven bewaard gebleven en aan De Witt werden 273 brieven gericht. Dat laatste aantal ligt beduidend lager dan in de jaren ervoor, toen hij doorgaans rond de zevenhonderd brieven per jaar ontving. Die terugval laat zich grotendeels verklaren door het wegvallen van een beperkt aantal zeer actieve correspondenten, met name diplomaten en gezanten. Juist uit die hoek valt de briefwisseling in 1671 vrijwel stil. Het ligt voor de hand dat een deel van die diplomatieke correspondentie wel is gevoerd, maar om onbekende redenen niet in De Witts archief is overgeleverd.

Begin mei 1671 duiken in De Witts uitgaande correspondentie twee brieven op die niets met oorlog, diplomatie of financiën te maken hebben, maar alles zeggen over omgangsvormen, familieverhoudingen en plezier maken. Ze gaan over een verloren weddenschap, wafels en een feestje dat een beetje uit de hand is gelopen.

Op 3 mei nodigt Johan de Witt de jongemannen Cornelis de Graeff en diens neef Willem Schrijver uit om op dinsdag 5 mei bij hem thuis aan de Kneuterdijk in Den Haag een feestje te komen vieren. Aanleiding is een weddenschap die Johans ‘nicht’ Elisabeth Reynst heeft verloren. De verwantschap met Elisabeth Reynst loopt via Johans overleden vrouw, Wendela Bicker, waardoor hij haar als nicht aanduidt. Ruim een jaar later, in juli 1672, zal Elisabeth in ondertrouw gaan met de Amsterdamse regentenzoon Abraham Alewijn.
De inzet van het feest wordt zonder verdere uitleg genoemd: ‘tot het nuttigen van de waeffelen bij onse nichte Reijnst in weddinge [weddenschap] verloren’, zo schrijft Johan aan de jongens. Met andere woorden: Elisabeth heeft een weddenschap verloren en moet verplicht wafels komen eten bij oom Johan. Tegen de middag verwacht hij Cornelis en Willem om samen te eten en zich daarna ‘tegen den avont’ over te geven aan ‘de vreuchde daertoe behoorende’. Hij voegt eraan toe dat dit alles ‘seer onvolmaeckt’ zou zijn zonder hun aanwezigheid.

Vier dagen later, op 7 mei, komt dezelfde bijeenkomst opnieuw ter sprake, nu in een brief van Johan aan burgemeester Lambert Reynst, de vader van Elisabeth. De wafels zijn verorberd, en, zo meldt De Witt, ‘met veel vreughde’. Het gezelschap had zich zo goed vermaakt dat men ‘niet voor gisteren ten 7 uyren in den morgenstondt’ uiteen is gegaan. Maar Reynst had zijn dochter opgedragen terug te keren, en De Witt maakt duidelijk dat het beslist niet de bedoeling is ‘dat kinderen eenige aenleydinge souden mogen hebben om ongehoorsaem te zijn aen de bevelen van haere ouders’.
Er was wel een complicatie: tijdens het dansen had Elisabeth haar voet verstuikt. Aanvankelijk leek dat geen probleem, zodat zij ‘den reste van den nacht met de andere juffrouwen is blijven dansen’. De volgende dag bleek echter dat de linkervoet ‘door die verstuyckinge wat overlast’ en ‘merckelijck geswollen’ was, waardoor het ‘ten eenenmale ongeraden is die te bewegen ofte oock maer eenighsints daerop te steunen’. De Witt voegt eraan toe dat Reynst dit ‘uyt eygen ervarentheyt’ zal herkennen. Daarom, zo schrijft hij, kan men haar niet laten reizen voordat ‘door ruste ende ’t stilhouden van ’t lighaem’ voldoende genezing is opgetreden. Hij spreekt de hoop uit dat Reynst en diens vrouw dit alles ‘ten goeden sullen willen verstaen’.

Over de inhoud van de weddenschap zelf zwijgen de brieven. We weten alleen dat Elisabeth die had verloren en dat de afrekening bestond uit wafels, gezelschap en een nacht lang dansen, die eindigde met een verstuikte voet. De weddenschap lijkt vooral een aanleiding te zijn geweest van De Witt om jongelui bij elkaar te brengen. In deze brieven zien we hoe het sociale leven doorloopt naast het politieke leven, en hoe er ook echt plezier werd gemaakt tot vroeg in de ochtend.
Ineke Huysman, 14 februari 2025

