Aan de commissaris Bourse
31 juli 1667Monsieur,
Uw brief van de 2e van deze lopende maand en het daarbij gevoegde mandje met sinaasappels heb ik goed ontvangen.
Maar aangezien het mij volgens artikel 29 van mijn instructie uitdrukkelijk verboden is enige giften, gaven of geschenken aan te nemen, van wat voor aard ook, hoe klein die ook zouden mogen zijn, zelfs geen eetbare spijs of drank, zie ik mij verplicht het genoemde mandje met de sinaasappels hierbij weer aan u terug te zenden.
Ik verzoek u mij dit niet kwalijk te willen nemen, omdat het niet voortkomt uit minachting voor het genoemde geschenk, maar uit de mij opgelegde regel die mij, zoals gezegd, verbiedt zoiets aan te nemen.
En aangezien deze brief tot geen ander doel dient, zal ik hierbij eindigen, verblijvende, etc.

Deze brief stuurde Johan de Witt op 31 juli 1667 aan Dirck Bourse, handelaar en commissaris van de Zeeuwse Admiraliteit. Bourse had hem een mandje met ‘appelen van China’ gestuurd. Daarmee werden sinaasappels bedoeld.
De sinaasappel kwam oorspronkelijk uit Azië. De bittere sinaasappel, of pomerans, was al eerder in het Middellandse Zeegebied bekend en werd gebruikt in tuinen, keukens, parfums en medicinale toepassingen. De zoete sinaasappel bereikte Europa later, vooral via Portugese handelsroutes in de vijftiende en zestiende eeuw; vandaaruit kwam de vrucht ook terecht in de Atlantische koloniale wereld, onder meer in Suriname. De hierboven afgebeelde sinaasappel met rups en nachtvlinder is afkomstig uit Maria Sibylla Merians Metamorphosis insectorum Surinamensium uit 1705, gebaseerd op haar onderzoek naar planten en insecten tijdens haar verblijf in Suriname.

In de zeventiende-eeuwse Republiek was de sinaasappel geen gewoon volksfruit, maar een luxeproduct. Juist daarom was zo’n mandje geschikt als geschenk. Maar De Witt stuurde de sinaasappels terug. Volgens artikel 29 van zijn instructie mocht hij geen giften aannemen, ‘hoe clein die oock souden mogen wesen, selfs niet van eetbaere spijse ofte dranck’, zo liet hij Bourse weten. Hij noemt dat artikel nadrukkelijk. Dat doet hij vaker in zijn correspondentie. Kennelijk vond hij het belangrijk om steeds expliciet vast te leggen dat hij zich aan de regels hield, zodat niemand hem van bevoordeling of afhankelijkheid kon beschuldigen.
Mooi detail is dat hij een passage in de brief heeft doorgestreept: ‘ende voorts te geloven dat onse vrundschap daeromme niet minder sal sijn’. Alsof hij het toch niet nodig vond om dat nog extra te benadrukken.

