De vierde etappe van de Grand Tour van Johan en Cornelis stuurt ze naar het zuiden van Frankrijk. Van eind april tot en met begin september reizen de broers van Bordeaux via Carcassonne tot aan La Grande Chartreuse.
In Carcassonne bezoeken ze de grootste overgebleven Cité uit de middeleeuwen. Johan en Cornelis schrijven op 26 april 1646 dat ze de citadel hebben bekeken en dat deze zwaar gefortificeerd is. Het heeft twee wallen en binnen deze wallen bevindt zich een kasteel.
Ondanks het bezoek aan de citadel houden de gebroeders niet van de Middeleeuwen. Zij zien die periode als een donkere tijd tussen de Oudheid en de Renaissance in. Daarnaast worden de Middeleeuwen gedomineerd door het katholieke geloof en aangezien de gebroeders De Witt protestants zijn, is dit een periode om zo veel mogelijk te vergeten.

Na hun vertrek uit Carcassonne reizen ze langs de Middellandse zee via de Perpignan, Narbonne en Montpellier, waar ze twee maanden zullen verblijven ‘omdat het goed toeven is in prettig gezelschap’, aldus Johan de Witt in zijn reisjournaal. Op vrijdag 13 juli 1646 komen de gebroeders aan in Arles. Een van de doelen van hun grand tour is de oude Griekse en Romeinse bouwwerken en overblijfselen te bezichtigen die ze nog nooit in het echt hebben gezien. Die interesse voor de oudheid is hen al vroeg bijgebracht op de Latijnse school. Daar maakten ze kennis met de grote daden van Romeinse helden. Er zijn veel Romeinse overblijfselen in Arles, zoals het grote amfitheater. Ze trekken er acht dagen voor uit om de stad te bezichtigen.
Op 22 juli 1646 zetten ze hun weg voort richting Marseille, waar ze veel kerken bezoeken en relieken bekijken, waaronder het hoofd van Lazarus. Hierna reizen ze via Toulon naar Sainte-Maxime-la-Sainte-Baume en Aix-en-Provence naar de Vaucluse, een gedeelte van de reis dat niet in de documentaire van Omroep Max voorkomt, maar volgend jaar door het Johan de Witt Team zal worden nagereisd.

In Fontaine de Vaucluse bewonderen de broers een bron ‘waarvan men zegt dat er geen bodem te ontdekken is’, zo constateerde Johan op 10 augustus 1646. Fontaine de Vaucluse werd in 1946 door oceanograaf Jacques Cousteau verkend, waarbij hij een diepte van 46 meter bereikte. Ondanks verdere verkenningen, waaronder een robot die 315 meter diep ging in 1985, blijft de volledige diepte tot nu toe onbekend.
Op 6 september 1646 reizen ze via Grenoble naar La Grande Chartreuse. De weg ernaartoe kan gevaarlijk zijn vanwege mogelijke rovers maar ook door de vele roofdieren en het natuurgeweld. De reden dat ze deze route toch nemen is omdat ze het klooster van La Grande Chartreuse willen bezoeken, waar zich (nog steeds) de strengste kloosterorde bevindt, die van de Kartuizer monniken. De productie van chartreuse-likeur is de belangrijkste bron van inkomsten voor het klooster. Na hun overnachting in het klooster vervolgen ze hun reis naar Zwitserland.

De zesdelige documentaire van Omroep Max heeft uiteraard niet alle reismomenten van de gebroeders De Witt vastgelegd. Het volledige reisverslag, inclusief hertalingen en illustraties, is op Google Maps gepubliceerd.
Terug naar de Grand Tour homepage.

