‘Haege, den 3en Julij 1667, diep in den nacht’

Wanneer je door de duizenden brieven van Johan de Witt bladert, valt het op: keer op keer vermeldt hij niet alleen de datum, maar ook het precieze tijdstip waarop hij schrijft. ’s Morgens vroeg, ’s avonds laat, zelfs midden in de nacht. In een tijd zonder telefoon, WhatsApp of e-mail was timing alles. Het moment waarop een brief werd verstuurd, kon direct verschil maken voor de strategie van de ontvanger. Kreeg Michiel de Ruyter het nieuws nog vóór het tij? Kon de ambassadeur in Londen nog reageren voordat de koning een beslissing nam? Een brief gedateerd als ‘7 augustus’ was niet precies genoeg wanneer elke minuut telde.
Zelfs tijdens zijn reizen door de Republiek bleef De Witt tot laat in de avond doorwerken. In 1670 schrijft hij vanuit Amsterdam: ‘Bij Amstelredam, den 26e meij 1670 ’s avonds laet’. Een week later uit Groningen: ‘Groningen, den 4en juni 1670 ’s avonds laet’. Zijn boodschap is duidelijk: ik ben onderweg, maar niet onbereikbaar. Ik blijf werken, zelfs hier, zelfs nu het al donker is.
De vlootjaren: elk uur telt
In augustus 1665, midden in de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog, zat De Witt niet achter zijn bureau in Den Haag. Hij bevond zich aan boord van de oorlogsvloot en moest voortdurend beslissingen nemen over strategie en inzet van schepen. Elke vertraging kon dodelijk zijn. Op 7 augustus kreeg De Witt cruciaal nieuws over luitenant-admiraal De Ruyter. Hij moest meteen reageren, maar zijn collega-gedeputeerden lagen al te slapen. Hij schreef daarom onder eigen naam en voegde erbij dat hij dit deed omdat zijn collega’s ‘te bedde leggen ende in de ruste sijn’. De ontvanger, zijn neef Nicolaas Vivien die hem in Den Haag verving, wist daardoor direct dat het urgent was.

In juni 1667, tijdens de Tocht naar Chatham, volgden de tijdsaanduidingen elkaar in rap tempo op. Johan en zijn broer Cornelis, die mee was op de vloot, moesten constant met elkaar communiceren over de verrichtingen van de Nederlandse vloot die diep in Engels gebied was gevaren. Zo werd het haast een live verslag van een militaire operatie met tijdsaanduidingen: Johan vanuit Den Haag: ‘Haege, den 6en junii, laet in den nacht’, Johan vanuit ’t Nieuwe Diep: ‘den 7en junii, ’s morgens ontrent ses uyren’, Cornelis vanaf de vloot: ‘Seylende naer het Coninxdiep … des avonts ten ses uyren’, Cornelis weer: ‘Drijvende tusschen Pleymuyden ende Vaelmuyden, ’s morgens ten seven uyren’.
Waarom het ertoe deed
Tot in zijn laatste levensjaar bleef Johan tot ver in de avond doorwerken. Midden in het Rampjaar, tijdens de Franse opmars richting de IJssellinie, noteerde hij in zijn brief aan Hieronymus van Beverningk: ‘Ick schrijve met grooten haest, sonder noch eene maeltijdt huyden te hebben gehouden, alhoewel het nu is ontrent negen uyren in den avondt’.
Voor ons lijken deze tijdsaanduidingen van Johan de Witt in zijn brieven misschien een detail, maar in de 17e eeuw waren ze cruciaal. Ze laten zien dat de functie van raadpensionaris weinig ruimte liet voor een normale werkdag. Wanneer je als raadpensionaris midden in de nacht nog zit te schrijven, wanneer je al vóór zonsopgang aan het werk bent, wanneer je vanaf een schip in vijandelijk gebied nog politieke updates stuurt, en wanneer je ’s avonds om 9 uur nog niet hebt gegeten, dan blijkt dat regeren zich weinig van de klok aantrekt.

