De epidemie die in 1663 en 1664 in Nederland heerste, hoorde bij de laatste grote pestgolf. Vooral Amsterdam werd zwaar getroffen. Tijdens de uitbraak vielen daar volgens het Stadsarchief bijna 25.000 doden, ruim tien procent van de stadsbevolking. De ernst van de epidemie is ook zichtbaar in de resoluties van de Staten van Holland. Daar wordt de ziekte aangeduid als de ‘peste’, de ‘pestilentiale sieckte’ of de ‘besmettelijcke Sieckte’. In mei 1663 werd al een algemene biddag uitgeschreven, mede vanwege ‘dieren tijdt, sware sieckten, pestilentien ende anders’. Daarbij werd opgemerkt dat de eerste tekenen zich in 1662 al in verschillende steden en op het platteland hadden vertoond.1
In 1664 had de epidemie ook internationale gevolgen. Nederlandse kooplieden ondervonden ‘quellinghen ende moeyelijckheden’ doordat in het buitenland een quarantaine was ingesteld voor schepen en goederen uit de Republiek. De Staten probeerden die handelsbelemmeringen diplomatiek op te heffen. Zij schreven in ‘serieuse termen’ aan Spanje en Engeland en verwezen daarbij naar Frankrijk en Denemarken, die vergelijkbare maatregelen inmiddels hadden ‘vernieticht ende afgedaen’. De inzet was dat Nederlandse schepen weer ‘nae gewoonte’ in buitenlandse havens zouden worden toegelaten.2
Medisch advies
Op 8 augustus 1664 brachten Leidse professoren en andere ervaren doctoren en chirurgijns medisch advies uit aan de Staten van Holland over de ‘voortzettinghe van de jegenwoordige pestilentiale sieckte’. Zij zagen de pest als ‘van buyten’ binnengebracht door besmette personen of goederen. Daarna had de ziekte zich volgens hen kunnen verspreiden door al te nauwe omgang tussen gezonden en zieken, maar ook door omstandigheden die de besmetting konden voeden: stilstaand en stinkend water, het omwoelen van grond, vuiligheid in straten en op openbare plaatsen, rottend materiaal en zeepsop. De eerste en belangrijkste maatregel was daarom scheiding. Zieken moesten zo snel mogelijk van gezonden worden afgezonderd. Arme zieken moesten naar publieke pesthuizen worden gebracht. Voor mensen in ‘redelijcke conditie’ werd gedacht aan barakken of hutten buiten of aan de rand van steden, waar geïnfecteerden zodra de ziekte zichtbaar werd konden worden verzorgd en bewaakt, desnoods op eigen kosten. Rijke inwoners moesten hun zieken buiten de stad of in afgesloten ruimten in huis onderbrengen.
De adviezen grepen diep in het gewone stadsleven in. Wie de ziekte had, in een besmet huis woonde, of in zulke huizen werkte, zieken verzorgde of medicijnen toediende, mocht zes weken lang geen markten, kerken, winkels of andere openbare plaatsen bezoeken. Moest iemand toch naar buiten, dan alleen overdag, in de zon, met een witte stok of een ander herkenningsteken. Besmette huizen moesten worden gemarkeerd met een ‘P’ of een ander teken. Deuren en vensters aan straatzijde moesten veertien dagen gesloten blijven na genezing of overlijden, behalve voor strikt noodzakelijk in- en uitgaan. Luchten mocht alleen ’s nachts, van tien uur ’s avonds tot drie uur ’s morgens. Bewoners mochten in die periode niet op de stoep of voor de deur zitten of staan. In huizen met winkelnering mocht vier weken lang geen handel worden gedreven, en bij handel in vette waren, huiden, wol of bont zelfs zes weken niet. Goederen uit besmette huizen mochten niet op straat worden uitgestald, niet op markten worden verkocht en niet naar banken van lening worden gebracht, tenzij ze eerst gelucht, gereinigd en ‘geperfumeert’ waren.

In besmette huizen mochten geen honden of katten worden gehouden; ze moesten worden weggedaan of doodgeslagen. Verder adviseerden de medici om overal de lucht te ‘corrigeren’ met grote vuren van pektonnen en buskruit, vooral bij kerkhoven, nieuw gegraven grachten en plaatsen waar de besmetting het hevigst was. Binnenshuis kon men parfumeren met zwavel, salpeter, barnsteen, jeneverbessen, wijnazijn, goudsbloemen, wijnruit, kruidnagel of kaneel. Ook voedsel kwam in beeld: vruchten en gewassen die snel konden bederven zoals pruimen, komkommers, pompoenen, meloenen en wortel- of rapenloof, konden beter worden geweerd.
Ook rond dood en begraven werden de regels aangescherpt. Buren mochten niet meer bij stervenden worden geroepen en alleen speciaal aangewezen personen mochten de doden uit hun huizen halen. Op of in de doodskisten mochten geen bloemen, kransen of sieraden worden gelegd; alleen gewone zwarte kleden waren toegestaan. De kisten moesten met pek of op een andere manier waterdicht worden gemaakt, zodat er geen ‘materie’ uit kon lekken. Graven in kerken mochten pas worden geopend nadat de preek voorbij was en het volk de kerk had verlaten, en ze moesten meteen weer worden gesloten. Bij begrafenissen mochten alleen de naaste bloedverwanten aanwezig zijn; vooral vrouwen, kinderen en het ‘gemeene Volck’ moesten worden geweerd. In huizen van overledenen mocht geen drank worden geschonken en er mochten geen rouwmantels of zware rouwversieringen worden gebruikt. Tussen overlijden en begraven moest minstens vierentwintig uur zitten, maar een lichaam mocht niet langer dan twee dagen boven aarde blijven. Doden uit publieke pesthuizen moesten buiten de stad diep in de grond worden begraven. De Staten namen het advies serieus genoeg om het te laten drukken en naar alle steden van Holland en West-Friesland te sturen, met de opdracht de maatregelen zoveel mogelijk in praktijk te brengen.3
Dagelijks leven tijdens de pestepidemie
Als raadpensionaris van Holland en West-Friesland was Johan de Witt nauw betrokken bij het overleg over quarantaine, medische adviezen en maatregelen tegen verdere besmetting door de pest. Enkele van De Witts eigen brieven laten zien hoe de epidemie ook zijn dagelijkse leven raakte. In oktober 1663 maakte hij zich zorgen over berichten uit Amsterdam over de pest. Hij informeerde bij zijn zwager Pieter de Graeff naar het welzijn van diens familie. In zijn antwoord van 21 oktober 1663 stelde De Graeff hem gerust dat het met zijn naasten goed ging, dat hij van plan was met de familie naar hun buiten op Soestdijk te vertrekken en dat er tot dan toe ‘weinig lieden van consideratie’ waren overleden, behalve Jan Ansloo en zijn vrouw Margaretha Bas. Ondertussen waren de sterftecijfers hoog: in de voorafgaande week 375 doden, en in de twee weken daarvoor 301 en 222, zo meldde De Graeff.

In mei 1664 schreef De Witt aan zijn zwager Jean Deutz in Amsterdam. Hij nodigde hem uit om met zijn familie naar Den Haag te komen vanwege de ‘toenemende sieckte aldaer’. Den Haag leek op dat moment veiliger dan Amsterdam, maar de familie Deutz kwam niet. Misschien ook omdat inmiddels ook Den Haag niet meer vrij van besmetting was. Op 1 oktober schreef hij aan Deutz dat de ‘besmettelijcke sieckte’ in Den Haag, God zij dank, sterk was afgenomen. In de voorafgaande week waren nog 36 mensen gestorven. Hij verwachtte dat het er minder zouden worden, omdat hij al lang niet had gehoord dat er nieuwe huizen ‘ontsteecken’ waren. De doden vielen alleen nog in huizen die al eerder waren aangetast. Hij en zijn ‘lieve huyschvrouwe wenschten [daarom] wel dat Uw Ed. ende desselfs beminde met haere kindekens ons alhier wat quaemen vergeselschappen’. Op 6 oktober meldde hij Deutz dat er in de afgelopen week nog maar 21 mensen aan de pest waren gestorven en herhaalde hij zijn uitnodiging.
Opvallend is hoe weinig de pest maar in de correspondentie van De Witt voorkomt. De ziekte wordt af en toe genoemd, maar het dagelijkse leven in de kringen rondom de raadpensionaris ging grotendeels gewoon door. De pest trof vooral de mensen die dicht op elkaar woonden: in arme buurten, in volle huizen met weinig ruimte om zieken en gezonden van elkaar te scheiden. Voor de elite was de pest meestal niet meer dan een dreiging die reizen, bezoek en familiecontact kon verstoren.

