Johan de Witt was ‘onkreukbaar’ als het om geschenken ging. Voor hem gold, net als voor andere belangrijke 17e-eeuwse vertegenwoordigers, een verbod op het aannemen ervan. Daar hadden zij een eed voor afgelegd.1 De Witt nam dat verbod heel nauw. Blijkbaar was die reputatie van De Witt ook onder zijn tijdgenoten al vroeg bekend. Dat blijkt onder andere uit een briefwisseling tussen Coenraad van Beuningen en Johan de Witt in het najaar van 1652.
De ‘gewetensknoop’ van Coenraad van Beuningen

Coenraad van Beuningen was een Nederlandse diplomaat uit Amsterdam. In 1650 was hij benoemd tot pensionaris van Amsterdam. In die hoedanigheid was hij in 1652 naar koningin Christina van Zweden gezonden om daar de Hollandse belangen te behartigen.2 De Zweden waren argwanend tegenover de Hollandse kooplieden, omdat vermoed werd dat zij teveel met de Polen ‘onder één deken lagen’. En de band tussen Zweden en Polen lag op dat moment zwaar onder druk. In de periode tussen 1650 en 1655 waren er veel (mislukte) pogingen tot onderhandelen geweest om de verschillen tussen Zweden en Polen-Litouwen te verkleinen.
Deze bijeenkomsten vonden plaats in Lübeck, waar Van Beuningen in het najaar van 1652 met het schip De Duyf voor anker lag. Het is binnen de context van één van deze bijeenkomsten dat Van Beuningen een ontmoeting had met de Poolse diplomaat Jan Leszczyński. Hij was één van de hoofdonderhandelaren die namens de Poolse koning Jan II Casimir een vrede met Zweden moest bevorderen.3 Van Beuningen bezocht de Poolse diplomaat op diens schip, en berichtte:
De Heer Leskynsky, die hier aengekomen tot de Vredehandelinge, heeft my met seer veel beleeftheydt ontfangen, ende nae dat ick aen Scheeps-boort was gegaen, derwaerts syn Ed. my door syn geheelen Treyn dede accompagneren.
De heer Leszczyński, die hier was aangekomen voor de vredesonderhandelingen, ontving mij zeer beleefd. Toen ik aan boord van het schip ging, begeleidde hij mij met zijn hele gevolg.

Eenmaal aan boord presenteerde Leszczyński ‘tot vervelinge’ een schaal druiven als geschenk aan Van Beuningen. Een geschenk dat hij niet kon en wilde accepteren. Na een excuus aan de Poolse diplomaat liet Van Beuningen zijn secretaris een brief schrijven aan de koning van Polen met verdere toelichting over het weigeren. En het was niet alleen Leszczyński die had geprobeerd een geschenk aan Van Beuningen te presenteren.
’t Selve ofte diergelycke is my gebeurt met de Heeren van Bremen, die my een Kaert van haer Stadt van de waerde van ses of aght stuyvers hadden toegesonden, ende by my op gelycke excuse niet is aengenomen.
Hetzelfde, of iets dergelijks, is mij overkomen met de heren van Bremen, die mij een kaart van hun stad ter waarde van zes of acht stuivers hadden toegestuurd. Ook die heb ik, met dezelfde redenen, niet aangenomen.
Ook het geschenk van de heren van Bremen had Van Beuningen geweigerd. Op 3 september 1652 klom Van Beuningen opnieuw in de pen om verslag te doen aan Johan de Witt. Daarin noemde Van Beuningen ook dat hij, zolang hij gehouden was aan zijn eed, niet anders kon doen dan geschenken te weigeren. Toch lijkt het alsof hij hier moeite mee had. Van Beuningen schreef dat men het vreemd vond dat hij geschenken weigerde en dat hij hoopte dat De Witt hem gerust kon stellen en ‘de knoop van het geweten’ voor hem kon ontwarren.
Dewyle het eeniger maeten vreemdt werdt gevonden in illis minutiis, soo weschte ick wel, dat ick dese commoda interpretative konde werden geholpen, hoewel ick niet sie hoe sulcks sal konnen geschieden, ten sy U Ed. iets anders wete te bedenken, als my tot satisfactie van myn gemoet in den sin komt, ende des my sal gelieven te adviseren.
Omdat dit tot op zekere hoogte als vreemd werd ervaren, zelfs voor zulke kleinigheden, zou ik wel wensen dat mij hierin een welwillende, ruimhartige uitleg ten goede zou kunnen komen. Al zie ik zelf niet goed hoe dat mogelijk zou zijn, tenzij UEd. iets weet te bedenken dat mij, naar mijn gevoel, geruststelling kan geven en ik hoop dat u mij daarin zou willen adviseren.
Het antwoord van Johan de Witt
De Witt schreef op 14 september 1652 een brief terug naar Van Beuningen.4 Hij gaf daarbij aan dat zijn persoonlijke mening in deze niet doorslaggevend zou moeten zijn, maar dat hij – omdat van Beuningen daar expliciet om vroeg – er toch op in ging. De Witt vond dat Van Beuningen voorzichtig, correct en niet te streng had gehandeld. Hij had exact gedaan wat van hem vanuit de afgelegde eed verwacht werd.
… ende dat alle diegene die aen den eedt op de groote Zaele den 23en febr 1651 gearresteert sijn verbonden, sich soodaenich mede behoorden te gedraegen, immers dat ick mij in soodaenige gelegentheijt alsoo gedraegen soude.”
… en dat allen die gebonden zijn aan de eed die op 23 februari 1651 in de Grote Zaal is afgelegd, zich in soortgelijke omstandigheden op dezelfde manier zouden moeten gedragen. Althans, ik weet zeker dat ik zelf in zo’n situatie precies zo zou hebben gehandeld.

Om Van Beuningen verder nog gerust te stellen, gaf De Witt ook een uitgebreide toelichting. Hij schreef dat het wel gebruikelijk was dat men uit beleefdheid een geschenk aanbood, ‘zoals u dat ongetwijfeld ook zou hebben gedaan’, maar dat ‘niemand ter wereld dit als onbeleefdheid zou beschouwen’ nu Van Beuningen de geschenken geweigerd had. Immers: volgens de eed die Van Beuningen had afgelegd mocht niemand die betrokken was bij het opstellen van traktaten enige geschenken ontvangen, om zo te voorkomen dat geschenken die onderhandelingen zouden beïnvloeden.
Dat Van Beuningen het een moeilijke situatie vond, was misschien niet zo gek. Hij was immers pas net benoemd tot pensionaris. Johan de Witt was nog geen raadpensionaris. Ze moesten allebei nog wennen aan wat hun verplichtingen, en principes, in de praktijk van hen vroegen. Hopelijk kon De Witt hiermee het gemoed van Van Beuningen geruststellen.
Tamarah de Groot, 13 februari 2026
Noten
- Een vergelijkbare eed, de zuiveringseed, bestaat ook nu nog voor onder andere ministers en ambtsdragers. Met deze eed zweren ze dat zij niemand enig gift beloofd of gegeven hebben om benoemd te worden en dat zij van niemand enige gift of belofte zullen aannemen om iets in hun ambt te doen of na te laten. ↩︎
- Aa van der, A.J., ‘Koenraad van Beuningen’, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 2. Eerste en tweede stuk (1854). ↩︎
- Milewski D., Między Moskwą a Szwecją: Jan Leszczyński i Janusz Radziwiłł o stanie państwa i sposobach jego ratowania w latach 1654–1655*. ↩︎
- Nationaal archief, 3.01.17, Inventaris van het archief van Johan de Witt, raadpensionaris van Holland, 1653-1672, Inventarisnummer 1.1650-1652. ↩︎

