Vanuit Mariënburg en Elbing, in Polen, schreef een neef van Johan de Witt, Johan van Sypesteyn, over zijn reis naar het hof van de Zweedse koning Karel X. Hij was hier als ‘edelman à la suite’ onderdeel van het gevolg van de Nederlandse ambassadeur Govert van Slingelandt, die op dat moment ambassadeur van de Nederlandse Republiek in Polen was.[1] Net als Van Slingelandt hield Van Sypesteyn De Witt op de hoogte van gebeurtenissen aan het hof. Zijn beschrijvingen gaan echter niet alleen over politieke zaken, maar ook veel over de kleine gebeurtenissen bij de ambassade zelf. Uit de verschillende brieven blijkt dat hier veel gebeurde. De brieven van Van Sypesteyn lezen voor ons soms als een soap.
Zo schrijft hij op 6 juli 1656 vanuit Mariënburg over de nieuwe ‘dispensier’ van de hofhouding. Dit was degene die de voorraden beheerde en uitdeelde. De vorige, ene meneer Abel, was per schip terug naar Nederland gegaan, omdat zijn enige kind was overleden. Meneer Hooglande had zijn plaats ingenomen, maar die kreeg ruzie met de kok. Van Sypesteyn schrijft daarover het volgende:
Omtrendt 14 daegen geleden heeft onsen opperkock, omdat hij met onse nieuwe dispensier niet koste accorderen, ende dat hij met deselve kijvende, deselve met het hecht [heft] van enen groot kockmes een gadt in ’t hooft hadde geslagen.
De kok is daarna op kosten van de ambassadeur terug naar Nederland gestuurd. Wat er met de dispensier is gebeurd, wordt uit de brief helaas niet duidelijk.
Overlijden
Op 18 juli van hetzelfde jaar schrijft Van Sypesteyn over het overlijden van een jongeman. Het gaat om de twintigjarige edelman Edickinge, die een halfbroer was van ambassadeur IJsbrands.[2] IJsbrands was samen met Fredrik van Dorp en Pieter de Huybert als buitengewoon ambassadeur aangesteld om met Zweden over vrede in Scandinavië te onderhandelen. In die hoedanigheid waren Van Dorp en IJsbrands ook in Polen.[3] De jongeman voelde zich niet lekker en was daarop voor een aantal dagen naar zijn zus in Elbing vertrokken. Na twee dagen werd hij per koets weer naar Mariënburg gebracht
sonder dat hij ’t eens heeft geweten, ofte sich selven eens heeft ingebeeldt, nadat hij een dach te vooren een hete koorts (waerdoor sijn verstandt bedwelmt was) hadde gekregen.
Daaraan is hij uiteindelijk overleden. Van Sypesteyn omschrijft hem als een zeer gezonde man die op het gebied van eten en drinken ‘de sooberste van ons allen [was]’.
Koetsincident
Een aantal dagen later schrijft Van Sypesteyn De Witt een nieuwe brief. Dit keer vanuit Elbing, waar de gehele hofhouding een dag eerder is aangekomen. Hierin schrijft hij over de regen, en hoe er werd besloten wie met dichte koets en wie met open koets mocht reizen. Een niet nader genoemde predikant had weinig mazzel en moest in de regen in het open rijtuig zitten. Hier was deze man zo ontstemd over dat hij ‘sonder een woort te spreecken’ vertrok. Van Sypesteyn sluit zijn brief af met de mededeling dat hij heeft vernomen dat de predikant uiteindelijk met het schip met bagage is meegereisd, maar dat hij hem nog niet gezien had.[4]

Wat het antwoord van De Witt was, weten we niet. Mogelijk heeft hij de brief helemaal niet beantwoord. Hij heeft boven de ingekomen brief van Van Sypesteyn in ieder geval geen aantekening gemaakt. Dat koetsen voor onenigheid konden zorgen had De Witt een paar jaar eerder zelf al gemerkt. Toen moest hij in Den Haag de Engelse gezant en de hertog van Holstein uit elkaar halen, nadat ze ruzie hadden over wie er met de koets als eerste het smalle stuk op het Lange Voorhout mocht passeren.[5]
Brief van Johan van Sypesteyn aan Johan de Witt, vrij vertaald:
Mijn heer en veel waarde neef,
Wij hebben gisteren na de middag in Mariënburg afscheid genomen van de koningin van Zweden. In de avond zijn we met onze gehele hofhouding aangekomen in Elbing, waar het een stuk vermakelijker is dan in Mariënberg. Toen wij gisteren uit Mariënberg reden konden er twee edellieden niet mee in de koets. Voor hen was een open rijtuig gehuurd. Onze hofmeester en nog een edelman waren al te paard vooruitgereden.
Omdat het regende gingen wij met de koets en lieten wij onze predikant en monsieur Chardevene (die eerdaags met de vorstin naar Lijfland zal gaan) buiten de koets. Monsieur Chardevene was hier heel tevreden mee en wilde graag in het open rijtuig zitten, en in de regen zijn. Liever dan bij ons in de koets, omdat hij dan niet door ons geplaagd en gekwetst kon worden. Maar onze predikant was heel ontstemd en ging zonder een woord te spreken weg. Hij wilde niet in het rijtuig zitten. Gisteravond heb ik verstaan dat hij met onze bagage met een schip is gekomen. Maar toch heb ik hem nog niet gezien.
Hiermee eindigend zal ik u edele een goede gezondheid wensen en ook mijn groeten aanbieden aan uw edelste lieve huisvrouw, mijn veel waarde nicht, de mensen met wie ik verbonden ben.
Mijn heer en veel waarde neef,
Uw edelste dienstwillige en verplichte neef en dienaar,
Johan van Sypesteyn
Elbing, 25 juli 1656
Aan verhalen geen gebrek bij deze ambassade.
Marinka Joosten, 6 februari 2026
[1] Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek (deel 7), 1201
[2] Johan van Sypesteyn aan Johan de Witt, 18 juli 1656, NA, 3.01.17, 3122: https://emlo.bodleian.ox.ac.uk/w/1046976
[3] A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden (deel 4), 287.
[4] Johan van Sypesteyn aan Johan de Witt, 25 juli 1656, Noord-Hollands Archief, 1614, 800: https://hdl.handle.net/21.12102/A94B03C556114DC4998129D8A1F12B73
[5] ‘Het bijna-koetsincident’, via: https://johandewitt.nl/het-bijna-koetsincident/

