Wanneer je zijn brieven van 1669 achter elkaar leest, zie je meteen wat voor jaar het voor Johan de Witt was. Het is zijn eerste volledige jaar zonder zijn echtgenote Wendela Bicker. Ze overleed in juli 1668 en wat daarna volgde zijn geen brieven met uitgesproken rouw en verdriet maar een reeks praktische maatregelen die door alle correspondentie lopen. Johan bleef achter met vijf kinderen, verspreid over familieleden en tijdelijke verblijfplaatsen. Het huishouden moest opnieuw worden ingericht en de verhuizing naar een groter pand moest worden geregeld. Alles wat eerder vanzelf liep, vroeg nu om een nieuwe vorm. Dat maakt 1669 tot een persoonlijk jaar waarin kleine opmerkingen en dagelijkse details veel zeggen over de nieuwe gang van zaken in het huishouden van de familie De Witt.
Begin van het jaar
Het jaar begint zakelijk. Op 1 januari 1669 schrijft De Witt aan zijn zwager Jean Deutz met het verzoek opnieuw te kijken naar ‘den staet van de goederen van mijne overleden huijschvrouwe, ende van mijne kinderen’. Uit zijn brieven blijkt dat dochter Agneta al enige maanden in Amsterdam verblijft bij Wendela’s zus Jacoba, en dat de andere kinderen elders worden opgevangen. In de eerste dagen van januari is Johan zelf in Amsterdam, waar hij verblijft bij Jacoba Bicker en Jean Deutz aan de Herengracht. Hij schrijft dat hij zich ‘wat vermaeckt’ heeft in hun gezelschap, met maaltijden die volgens Amsterdams gebruik tot ‘een stuck in de nacht’ doorgingen. Daardoor heeft hij geen gelegenheid gehad om Michiel de Ruyter te bezoeken, iets waarover hij zich bij hem verontschuldigt.
Het sociale leven is weer opgepakt, maar daarnaast is er dagelijkse realiteit waarin hij als vader veel meer alleen moet oplossen. In januari en februari schrijft De Witt een aantal brieven waarin hij het huishouden opnieuw probeert te structureren. Wanneer hij zijn schoonzus Jacoba naar Den Haag wil laten komen, biedt hij aan om zelf op zijn kantoor te slapen zodat alle ledikanten beschikbaar zijn voor haar en de kinderen.
Voorjaar en zomer

Door het voorjaar en de zomer blijft De Witt veel heen en weer schrijven over familiebezoek. Op 16 juli 1669 blijkt uit een brief dat Johan en zijn broer Cornelis bij Johans zwager Gerard Bicker van Swieten in Zoeterwoude logeerden. Cornelis werd er ’s nachts belaagd door muggen ‘met geheele regementen, jae millioenen’, terwijl De Witt er zelf ‘niet een’ had gehoord. Een opvallend voorbeeld van Johans droge humor. Diezelfde nuchterheid zie je ook in kleine huiselijke details. Zo bedankt hij zijn zwager voor de ‘volle corven spijs ende volle flesschen dranck’ die ze hem meegaven voor de terugreis na een bezoek; er was zoveel dat er onderweg nauwelijks iets van is gebruikt. In een andere brief noemt hij terloops dat een avond met wafels pas ‘ten selven uijren in de morgen’ werd afgesloten.
Ook de zorg voor zijn verwanten speelt een rol. Hij informeert naar de gezondheid van zijn zus Johanna, die in verwachting is, en blijft graag op de hoogte omdat hij zich zorgen maakt over haar kraamperiode. Hij leeft mee met zijn zwager Jean Deutz, die in de zomer ziek is, en schrijft dat hij ‘tusschen hope ende vreese’ afwacht hoe het met hem zal aflopen.
Daarnaast duiken logistieke zaken op die iets zeggen over het dagelijkse leven. Hij regelt wijnbestellingen, onder meer Moezelwijn en Tossaanse wijn voor zichzelf en familieleden met precieze aanwijzingen over kwaliteit en hoeveelheid. Ook laat hij zich informeren over de verpachting en staat van de ‘hoffstede van Opmeer leggende in Zuijdt-Linschoten’, die hij wil kopen, en vraagt hij naar eventuele lasten, reparaties en hypotheken. Verder is hij ook druk bezig met de aanschaf van een nieuw paard en hij heeft daar specifieke wensen over:
Najaar en winter
September 1669 staat in het teken van de verhuizing van de Hofsingel naar de Kneuterdijk. In april had De Witt nog andere mogelijkheden bekeken, zoals het voormalige hof van de koningin van Bohemen en het huis van de heer van Brederode, maar uiteindelijk zocht hij vooral een woning met een aangrenzend pand zodat zijn schoonzus en zwager naast hem konden wonen en hem konden helpen met de zorg voor zijn vijf kinderen. Die oplossing vond hij aan de Kneuterdijk. In een brief van 25 september schrijft hij dat hij nu ‘volcomentlijck verhuijst’ is en nodigt hij zijn zwager, schoonzus en hun ‘lieven kinderen’ uit om te komen, verzekerd dat hun aanwezigheid zijn zuster van Swieten, die het meeste verhuiswerk draagt, eerder zal helpen dan belasten. Omdat de Staten even niet vergaderen, heeft hij bovendien ‘wat tijdt overich’ om van hun gezelschap ‘meerder vrucht ende vermaeck te trecken’.

In dezelfde periode vraagt De Witt zijn zus Johanna of zij Juffrouw Liesbeth van der Linde wil vragen om naar Den Haag te komen. Op 15 oktober 1669 schrijft hij haar vervolgens zelf. Hij meldt opnieuw dat hij nu ‘volcomentlijck verhuijst’ is en nodigt haar uit om hem en zijn huishouden enkele dagen te komen vergezellen, nu de Staten naar verwachting een maand niet zullen vergaderen. Hij voegt eraan toe dat hij dan ‘des te beter het vermaeck van Uw E. geselschap’ zal kunnen genieten. De bronnen geven niet aan wat hij hiermee precies beoogde. Het kan gaan om iemand die het huishouden tijdelijk kon verlichten, maar even goed om het voorzichtig aftasten van gezelschap dat hem mogelijk beviel. In een jaar waarin hij alleen achterbleef met vijf kinderen is het niet uitgesloten dat hij, al was het maar in gedachten, nadacht over een nieuwe echtgenote. Juffrouw Van der Linde ging echter niet op zijn uitnodiging in en in de correspondentie is verder geen enkel spoor meer van verdere toenadering.
In december 1669 schrijft De Witt aan zijn ‘beminde dochter Anna’, die dan weer logeert bij tante Johanna. Hij hoort met ‘aengenaemheijdt’ dat zij daar goed is aangekomen en dat zij via het jonge gezelschap al veel ‘vermaeck aengedaen werdt’, zelfs dat zij al ‘een nachtgen over in vreuchde hadde gepasseert’. Tegelijkertijd krijgt zij dezelfde aanwijzingen mee als altijd: blijven ‘avanceren’ in schrijven, rekenen, het bestuderen van het Oude en Nieuwe Testament en in ‘goede ende proffijtelijcke historien’ in het Frans en Duits. Ook moet zij erop letten dat haar broertje, vermoedelijk Johan junior, ‘wat mach avanceren in sijne kleijne studien’. Over hetzelfde jongetje schrijft hij aan zijn zus Johanna dat zij moet letten op het ‘bandeke van mijn zoontge’, wat waarschijnlijk duidt op een verband. Begin januari 1670 bezoekt De Witt namelijk op de terugweg van Dordrecht naar Den Haag in Delft een chirurgijn die zijn zoontje volledig genezen verklaart.
Condoleances zijn er ook. Op 8 december betuigt De Witt zijn medeleven aan de raadpensionaris van Zeeland, Pieter de Huijbert, die zijn vrouw heeft verloren. De Witt weigert ‘redenen van vertroostinge’ te geven omdat De Huijbert ‘daervan volle provisie is hebbende’, en bidt dat God hem ‘bij continuatie in gesontheijdt’ wil bewaren zodat hij de ‘gemeene saecken’ kan blijven dienen. Eerder dat jaar schreef hij in dezelfde toon aan de heer van Someren, griffier van de chambre mi parti, dat deze al ‘over lange in gelijcke gelegentheijd geleert heeft dat de wille des Heeren ons een wett is ende dat men sich die sonder murmeren moet onderwerpen’. In beide brieven klinkt zijn eigen stoïcijnse houding door: de houding waarmee hij zich naar buiten presenteerde, terwijl zijn persoonlijke verdriet onuitgesproken blijft.
De metadata van al deze conceptbrieven van De Witt uit 1669 (Nationaal Archief, 3.01.17, 21) die binnenkort beschikbaar komen via Early Modern Letters Online zijn ingevoerd door Janneke Groen, die ook de inhoud van de correspondentie nauwkeurig heeft bestudeerd. Dankzij dit werk wordt steeds duidelijker hoe het dagelijkse leven van De Witt eruitzag in een jaar waarin hij privé veel moest opvangen. Over zijn politieke en zakelijke brieven van 1669 die een heel ander licht op datzelfde jaar werpen, een volgende keer meer.
Ineke Huysman, 29 november 2025

