Gisteren sijn wij des avondts ontrent seven uijren op ’t Uw Edts. huysch te Swieten ende huijden tegens de middach wederom in ’s Graevenhaege, beijde met goedt gemack ende plaisir gearriveert, welck gemack voor mijn broeder noch grooter soude sijn geweest indien de muggen hem des nachts niet met geheele regementen, jae met millioenen soo hij verklaert, heftichlijk hadden connen bestormen; maer wat mij aengaet, ick en hebbe in die nacht niet een van die queldieren vernomen, ende sulx den ganschen nacht over, naer gewoonte, seer gerustelijck geslaepen.
Op 16 juli 1669 schrijft Johan de Witt een brief aan zijn zwager Gerard Bicker van Swieten. Johan en zijn broer Cornelis hebben de avond ervoor in het Huis te Swieten in Zoeterwoude gelogeerd, en ondanks het plezier van hun bezoek had de nacht voor Cornelis een minder aangenaam vervolg. In zijn brief vertelt Johan hoe zijn broer zich hevig belaagd voelde door de muggen – ‘hele regimenten, ja, miljoenen tegelijk’, terwijl hijzelf wonderlijk genoeg geen last had gehad van die ‘queldieren’.

In de 17e eeuw waren deze muggen niet alleen hinderlijk; ze droegen ziekten over die grote delen van Nederland teisterden. Vooral de kust- en moerasgebieden, zoals het eiland Walcheren in Zeeland, stonden bekend om de beruchte ‘Zeeuwse koortsen’. Dit soort malaria, ook wel ‘derdedaagse koorts’ genoemd vanwege het cyclische karakter van de koortsaanvallen, kenmerkte zich door regelmatige opflakkeringen van hoge koorts, koude rillingen en hevig zweten. Het was een ziekte die zonder behandeling weken of zelfs maanden kon voortduren en soms na lange perioden van schijnbare rust opnieuw de kop opstak.
Ook Johans oudste zoon werd door deze ziekte getroffen. In een brief aan zijn zus Johanna in 1671 meldt Johan bezorgd hoe zijn zoontje Jan lijdt aan de derdedaagse koorts. Hij houdt evenwel hoop want enkele weken later schrijft hij haar: ‘Mijn zoon Jan heeft nu twee keer achter elkaar op de ‘slechte dagen’ geen koorts gehad, zodat ik hoop dat hij, met Gods zegen, daar nu helemaal van verlost is’.

Het Huis te Swieten zelf was een middeleeuws kasteel dat omringd was door singels en boomgaarden – het soort omgeving waar stilstaand water muggen aantrok. De connectie tussen moerassen, muggen en ziekten als malaria was toen nog slechts een vermoeden, maar deze vochtige plekken bleken een perfecte voedingsbodem voor de malariamug. In de vroegmoderne tijd had men nog geen effectieve middelen om deze muggen te bestrijden, laat staan de ziekte zelf te behandelen. Zo bleven muggen – vooral in de zomermaanden – niet alleen een plaag, maar ook een potentieel levensbedreigend risico voor inwoners van kwetsbare gebieden in Nederland.
Pas in de 20e eeuw werd malaria door gerichte bestrijding, onder andere met insecticiden, onder controle gebracht. Maar in de 17e eeuw, tijdens het bezoek van Johan en Cornelis, waren deze onschuldig ogende insecten nog een serieuze bedreiging voor de gezondheid.
Ineke Huysman, 3 november 2024

