Op 1 januari 1669 heeft Johan de Witts aangetrouwde neef, de Dordtse regent Nicolaas van der Dussen (1636–1719) goed nieuws. Zijn vrouw, Johans nichtje Lydia van Beveren (1647-1702), de dochter van zijn zus Johanna de Witt, is bevallen van een zoon. Hij schrijft [vrij vertaald]:
Mijnheer en Oom,
Vandaag voor de middag, omstreeks tien uur, is mijn lieve vrouw door Gods zegen bevallen van een frisse zoon, nadat zij de voorafgaande nacht al herhaaldelijk barensweeën had gehad. God zij lof en dank dat Hij door Zijn genade alles zonder noemenswaardig ongeval goed heeft laten verlopen. Ik bid God Almachtig dat Hij de kraamvrouw en het pasgeboren kind ons nog lang wil laten behouden, opdat het te zijner tijd zijn dienst aan u zal kunnen aanbieden.
Aangezien grootvader De Witt ons de eer heeft gedaan zich aan te bieden als doopgetuige bij de heilige doop van ons zoontje, die wij van plan zijn te laten plaatsvinden op aanstaande vrijdag, de 4e van deze maand, zouden wij u willen vragen of u bij de heren Gecommitteerde Raden zou willen laten regelen dat er een jacht van de Staten van Holland komt om hem hierheen te brengen. Aanstaande zaterdag komt er immers al een jacht om mijn schoonvader op te halen, en wij hebben hier vernomen dat het jacht van de Rekenkamer al enkele keren van huis is geweest.
Hiermee, zonder tot enig ander doel te dienen, zal ik eindigen en blijven, mijnheer en oom, uw dienstwillige dienaar en onderdanige neef, N. van der Dussen
Dordrecht, 1 januari 1669
Uit Johans antwoord van 2 januari blijkt dat aan dit goede nieuws een lange periode van ellende was voorafgegaan. Daarbij geeft hij aan de geboorte op nieuwjaarsdag een uitgesproken gelukbrengende betekenis [vrij vertaald]:
Mijnheer en Neef,
Uit uw brief van gisteren heb ik met bijzondere vreugde vernomen dat uw vrouw, mijn waarde nicht, door Gods zegen is bevallen van een frisse zoon. God zij lof en dank voor de genade die Hij heeft bewezen door het schenken van een levende vrucht, een gezond kind, en bovendien van het edelste geslacht, waardoor de voorafgaande rampen wel als ruimschoots vergoed mogen worden beschouwd. Dat hij op de eerste dag van het jaar is geboren, lijkt iets goeds te voorspellen. Moge God geven dat hij vele nieuwjaarsdagen mag beleven, in goede gezondheid, tot vreugde van zijn ouders en vrienden, en dat hij, begiftigd met verstand en deugd, zijn talenten later tot nut van het gemeen vaderland zal aanwenden.
De reden waarom mijn eerwaarde vader niet heeft kunnen besluiten zelf in persoon over te komen, zult u uit zijn brief hebben vernomen. En terwijl ik de Almachtige God bid dat Hij de kraamvrouw in korte tijd weer tot haar vorige gesteldheid en voldoende sterkte wil herstellen, zal ik, na mijn groeten aan haar, samen met u en met mijn broer en zuster van Swijndrecht, hierbij eindigen en verblijven, enz.
Den Haag, 2 januari 1669
Johan de Witt aan Nicolaas van der Dussen, 2 januari 1669, NA, 3.0.17, 21.
Het plan van Nicolaas om [over]grootvader Jacob met een staatsjacht over te laten komen ging dus niet door. Waarom weten we niet, want die brief is helaas niet bewaard. Jacob woonde in bij Johan de Witt, dus ze zullen het mondeling hebben besproken. Mogelijk vond Johan het ongepast om een overheidsvaartuig in te schakelen voor een privé-familieaangelegenheid.
Voorafgaande rampen
Die verwijzing naar eerdere rampen staat niet op zichzelf. Johan doelt hiermee op de miskramen die Lydia van Beveren in de voorafgaande jaren had moeten doorstaan. Over die periode zijn een paar aandoenlijke en veelzeggende brieven bewaard gebleven. Het begint met een brief van Nicolaas van der Dussen en Lydia van Beveren waarin ze Johan vragen op hun bruiloft te komen die bij de familie van Lydia thuis wordt gevierd op 9 juni 1665. Oom Johan zal er niet naar toe zijn gegaan, hij had iets anders aan zijn hoofd: op zee woedde de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog in volle hevigheid.
Lydia van Beveren en Nicolaas van der Dussen aan Johan de Witt, 25 mei 1665, NA, 3.01.17, 2437.
Een jaar later, op 7 mei 1666 ontving Johan een verdrietige brief van neef Nicolaas [vrij vertaald]:
Mijnheer en Oom,
Het heeft God de Heer behaagd mijn lieve vrouw, nadat zij zes maanden zwanger was geweest, gisterochtend omstreeks half negen enige voortekenen van een zware bevalling te laten voelen. Dit heeft geduurd tot ’s avonds half negen, toen zij is verlost van een zoon, die al acht à tien dagen dood schijnt te zijn geweest. Zij heeft de afgelopen nacht weinig geslapen, maar heeft geen koorts of pijn. Ik hoop dat God de Almachtige haar weer tot haar vorige gezondheid zal brengen, opdat wij zo gelukkig mogen zijn nakomelingen te zien die geschikt zullen zijn om hun dienst aan u te komen aanbieden.
Hiermee blijf ik, uw dienstwillige dienaar en neef, Nicolaes van der Dussen
Delft, 7 mei 1666
Het troostende antwoord van oom Johan van 10 mei is tamelijk cru in onze ogen, maar past wel bij zijn tijd [vrij vertaald]:
Mijnheer en Neef,
Met oprecht leedwezen heb ik uit uw brief van de 7e dezer het ongeluk vernomen dat uw lieve vrouw is overkomen. Ik hoop en bid de Almachtige God dat Hij de kraamvrouw in korte tijd weer tot haar gezondheid wil herstellen, opdat de geleden schade onder Zijn genadige zegen met een kloeke en voldragen vrucht hersteld moge worden. Het is troostrijk dat de jaren van uw vrouw nog niet zo ver zijn gevorderd dat u niet nog tijd genoeg zou hebben voor een goede hervatting; ja zelfs dat u, nu opnieuw beginnende, nog eerder bent dan ik en vele anderen naast mij met onze vrouwen een aanvang hebben gemaakt. Ik hoop dat uw arbeid voortaan dan moge beklijven, en dat u, uw beminde en alle vrienden van weerszijden, spoedig gelegenheid zullen hebben zich over het herstel van de geleden schade te verheugen.
Den Haag, 10 mei 1666
De goede wensen van Johan mochten niet baten, want ook op 14 maart 1667 had Nicolaas opnieuw slecht nieuws. Hij berichtte dat Lydia die ochtend om twee uur na een ‘ontijdige verlossinge’ een ‘doot soontje’ ter wereld had gebracht.
Ewout van der Dussen
Gelukkig kwam het met het zoontje dat op Nieuwjaarsdag 1669 werd geboren wél goed. Op 4 januari werd hij te Dordrecht gedoopt en kreeg hij de naam Ewout. De wens van Ewouts vader dat zijn zoon ooit zijn diensten aan Johan de Witt zou aanbieden, kwam niet uit, tweeënhalf jaar later was Johan niet meer in leven. Wel bouwde Ewout zelf een succesvolle bestuurlijke loopbaan op. Hij promoveerde tot doctor in de rechten aan de Universiteit van Harderwijk, vestigde zich als advocaat en vervulde in de loop der jaren tal van functies binnen het Delftse bestuur. Hij werd meermalen burgemeester en was heer van Zouteveen, Oost-Barendrecht en Middelharnis. In 1704 huwde hij Catharina Maria Vallensis, met wie hij tien kinderen kreeg.
Ewout was de eerste van de acht kinderen die Nicolaas en Lydia tussen 1671 en 1690 zouden krijgen. Johan de Witt maakte nog de geboorte van hun tweede kind, Jacob, mee en stuurde daarvoor op 17 maart 1671 zijn felicitaties. De overige geboortes zou hij niet meer beleven. Ewout zelf overleed in 1729, na zestig van de nieuwjaarsdagen te hebben gevierd die Johan hem bij zijn geboorte had toegewenst.