Dat Johan de Witt een waardig diplomaat was is al lange tijd bekend, maar af en toe duiken in zijn correspondentie brieven op die ons veel vertellen over zijn positie en reputatie in het Europa van de zeventiende eeuw. Twee brieven aan Cosimo III de’ Medici, de latere groothertog van Toscane, vormen daarvan een treffend voorbeeld. De eerste brief, van 6 juni 1668, werd geschreven na Cosimo’s eerste bezoek aan de Republiek tijdens zijn Grand Tour door Europa. De tweede, van 10 december 1669, volgde na zijn tweede reis door de Republiek. Op het eerste gezicht lijken het slechts beleefde brieven, maar wie deze brieven nauwkeurig leest, ziet dat het schrijven veel vertelt over De Witts internationale netwerk, zijn subtiele diplomatie en de manier waarop hij omging met Europese vorsten.
De Grand Tours en de bezoeken van Cosimo
Cosimo III was in veel opzichten een typische De’ Medici: nieuwsgierig, cultureel onderlegd en politiek actief. Net als vele jonge mannen uit de Europese elite ondernam hij een Grand Tour, een educatieve reis om kennis en ervaring op te doen. Hoewel zijn ongelukkige huwelijk met Margaretha Louise van Orléans, een nichtje van de Franse koning Lodewijk XIV, mogelijk een rol heeft gespeeld, lijkt dit niet de hoofdreden voor zijn reis te zijn geweest. Die lag eerder in zijn expliciete wens om de bestuurlijke structuren te bestuderen die ten grondslag lagen aan de intellectuele, artistieke en commerciële bloei van gebieden als Duitsland en met name de Republiek.1
Zijn eerste Grand Tour begon op 22 oktober 1667 en duurde zeven maanden. In de winter van 1667/1668 bezocht de toen 25-jarige Cosimo de Republiek, waarbij hij een uitgebreide route aflegde langs Amsterdam, Haarlem, Alkmaar, Leiden, Den Haag en vele andere steden in de Republiek.2 Na zijn terugkeer in Florence in mei 1668 vertrok hij in september van datzelfde jaar opnieuw op reis, waarbij hij in 1669 wederom de Republiek zou aandoen.
De Staten-Generaal bereidden het eerste bezoek zorgvuldig voor. Zo moesten de gouverneurs van ’s-Hertogenbosch, Breda en Bergen op Zoom bij zijn mogelijke passage
alle demonstratien van eer ende respect sullen hebben te doen, ende te bewijsen, dienen aen een Groot Prins van sijn Caracter soude connen aendoen.3
Daarnaast werd besloten dat griffier Ruijsch de Toscaanse prins officieel zou verwelkomen namens de Staten-Generaal:
In deliberatie geleijt sijnde, Is goetgevonden ende verstaen, dat den Heere Prince van Toscane, door den Griffier Ruijsch, uijt den naem ende van wegen hare Ho:Mo: verwillecamt ende gecomplimenteert sal werden.4
Toen Cosimo tijdens deze eerste Grand Tour in Amsterdam arriveerde, verbleef hij bij Francesco Feroni aan de Keizersgracht. Daar werd hij begeleid door Pieter Blaeu, zoon van Joan Blaeu, die hem introduceerde bij de wetenschappelijke, artistieke en bestuurlijke elite van de Republiek.5 Zo ontmoette Cosimo onder andere Rembrandt van Rijn, Michiel de Ruyter en Constantijn Huygens. De jonge prins Willem III organiseerde op 5 februari 1668 zelfs een speciaal ballet ter ere van Cosimo’s bezoek.6 Dat Cosimo zo uitgebreid werd ontvangen, laat zien hoe open en gastvrij de Republiek was en hoe aantrekkelijk zij was als centrum van kennis, handel, kunst en politiek.
De brief van 6 juni 1668


Na afloop van zijn eerste bezoek schreef Cosimo op 15 mei 1668 een brief aan Johan de Witt waarin hij hoogstwaarschijnlijk zijn indrukken en verwachtingen van het bezoek in Den Haag uiteenzette. Hoogstwaarschijnlijk, want deze brief is niet bewaard gebleven; dat hij wél is verstuurd, blijkt uit De Witts reactie op deze brief, die hij als raadpensionaris liet opstellen. Het concept daarvan, in het Frans en in het handschrift van Abraham de Wicquefort, luidt vrij vertaald als volgt:
Aan de Prins van Toscane
6 juni 1668
Monseigneur,
Ik had niet gedacht dat men, na vertrek uit Florence—de aangenaamste plaats van Europa—in Holland nog iets aangenaams zou kunnen aantreffen. En ik had mij nooit kunnen voorstellen dat Uwe Doorluchtigheid in mijn persoon iets zou hebben kunnen vinden dat hem ertoe kon brengen zich mijner te herinneren, als hij mij daarvan niet verzekerd had in de vriendelijke brief die hij mij de eer heeft gedaan op 15 mei te schrijven.
Ik betuig u daarvoor mijn zeer ootmoedige dank, want ik kon zoiets alleen van zijn goedheid verwachten, en ik verzoek u mij toe te staan hem te zeggen dat wat hij schrijft over de verplichtingen die hij jegens mij heeft, eerder een vriendelijk verwijt is: dat ik tijdens het korte verblijf dat hij hier heeft gehouden niet genoeg mijn best heb gedaan om er méér jegens hem te verwerven.
Ik kan Uwe Doorluchtigheid verzekeren dat ik geen moeite heb verzuimd, maar dat ik, in de positie waarin ik mij bevind, niet in staat ben prinsen van zulk een geboorte en zulk een verdienste werkelijk verplichtingen op te leggen. Ik moet mij tevredenstellen met hen mijn genegenheid te betonen, vergezeld van diep respect.
Dit is wat ik Uwe Doorluchtigheid heb trachten te laten blijken, en waarvan ik hem nog duidelijkere bewijzen zal geven, zo vaak het hem belieft mij gelegenheden te verschaffen waarin ik hem daadwerkelijk kan tonen dat ik ben,
Monseigneur,
van Uwe Doorluchtigheid
de zeer nederige en zeer gehoorzame dienaar,[Johan de Witt]
Ondanks de inspanningen van de Staten-Generaal, blijkt het bezoek niet helemaal volgens Cosimo’s verwachtingen te zijn verlopen: hij bleek grote waarde te hechten aan ceremoniële bezoeken en wenste enkel ontvangen te worden als een waarlijk soeverein.7 Die teleurstelling vormde de achtergrond waartegen De Witt, in zijn brief aan Cosimo, zijn diplomatieke vaardigheden ten volle moest inzetten.
Al in de opening toont De Witt zijn diplomatieke finesse:
Ik had niet gedacht dat men, na vertrek uit Florence—de aangenaamste plaats van Europa—in Holland nog iets aangenaams zou kunnen aantreffen.
De Witt prijst Florence, hoewel hij er zelf nooit is geweest. Dit illustreert zijn culturele en diplomatieke scherpzinnigheid. Hij was zich bewust van de reputatie van Florence en van De’ Medici, waarschijnlijk via reisverslagen, diplomatieke correspondentie en zijn brede netwerk van geleerden en ambassadeurs. Met dit compliment erkent hij dan ook op subtiele wijze het prestige van Cosimo en poogt hij zijn band met de prins te versterken.
Eén van de meest interessante passages uit deze brief is De Witts reactie op wat in Cosimo’s eerdere brief kennelijk een impliciet verwijt was over diens ontvangst in Den Haag. De Witt draait dit diplomatiek om:
… dat wat hij schrijft over de verplichtingen die hij jegens mij heeft, eerder een vriendelijk verwijt is: dat ik tijdens het korte verblijf dat hij hier heeft gehouden niet genoeg mijn best heb gedaan om er méér jegens hem te verwerven.
Met deze formulering erkent De Witt de kritiek, maar onttrekt hij tegelijkertijd de scherpe rand eraan. Hij verzekert Cosimo dat hij geen moeite heeft verzuimd en benadrukt dat hij, in zijn positie, geen prinsen van zulke geboorte en verdienste kan verplichten. Zijn ambt beperkt hem in wat hij aan vorsten van dit statuur kan aanbieden:
Ik moet mij tevredenstellen met hen mijn genegenheid te betonen, vergezeld van diep respect.
Dat is zowel oprecht als strategisch: De Witt erkent zijn institutionele beperkingen, maar toont tegelijkertijd zijn persoonlijke bereidheid om Cosimo in de toekomst meer diensten te bewijzen. De brief sluit vervolgens af met de klassieke hoffelijkheid van de 17e eeuw, waarin De Witt zijn beperkingen erkent, maar tegelijkertijd zijn kracht (persoonlijke charme, maar vooral respect en kennis van internationale diplomatie en hofprotocollen) behendig inzet:
de zeer nederige en zeer gehoorzame dienaar
Opvallend is dat juist deze slotgroet eigenhandig door De Witt aan het concept werd toegevoegd. Dat hij persoonlijk ingreep in precies dit deel van de brief, laat zien hoeveel waarde hij hechtte aan het vinden van de juiste toon. Zijn eigen handschrift in de afsluitende regels getuigt van een bewuste, strategische keuze om de relatie op persoonlijk niveau te herstellen en de juiste mate van nederige hoffelijkheid te treffen.
Een begeleidend briefje aan Feroni
De Witt schreef daarnaast een kort briefje aan Cosimo’s agent, Francesco Feroni, die als tussenpersoon de eerdere brief van Cosimo naar De Witt had gestuurd. Dit conceptbriefje van 7 juni 1668 luidt als volgt:
Aan Franc Feroni agent van de
Groothertog van Florence
7 juni 1668
Mijn Heer,
Uw brief van de 31e van de afgelopen maand, met de bijgevoegde brief van de prins van Toscane, is mij wel ter hande gekomen. Dit schrijven dient enkel ter begeleiding van mijn antwoord op die brief, die ik u verzoek aan hem te doen toekomen.
Waarmede u zeer zult verplichten
diegene die is, etc.
In deze korte en zakelijke boodschap, schrijft De Witt dat hij Cosimo’s brief (van 15 mei) heeft ontvangen bij diens brief van 31 mei en dat hij zijn antwoord hierop weer via Feroni laat bezorgen. Het verschil in toon tussen de twee brieven is opvallend: terwijl de uitgebreide brief aan Cosimo hoffelijk en diplomatiek is, is de brief aan Feroni veel zakelijker en directer. Dat contrast laat goed zien hoe De Witt zijn taalgebruik en toon bewust afstemde op de ontvanger. Het gebruik van ‘etc.’ aan het einde van dit conceptbriefje laat bovendien zien dat De Witt erop vertrouwde dat zijn secretaris de brief correct zou afsluiten, een risico dat hij niet nam in de conceptbrieven die direct gericht waren aan Cosimo, waarbij hij de traditionele hoffelijke slotgroet hoogstpersoonlijk toevoegde.
Het tweede bezoek van Cosimo in 1669
In tegenstelling tot zijn eerste bezoek blijkt uit de resoluties van de Staten-Generaal dat Cosimo zijn ontvangst in 1669 wél als positief ervoer. Zo noteert de resolutie van 20 juni 1669 dat
den Heere Prince van Toscanen, twee Edelluijden aen sijnen huijse gesonden, ende door deselve hare Ho:Mo: doen bedancken hadde, vande civiliteijt, ende demonstratie van Ere, die hem op sijne aencomste alhier aengedaen was.8
Dit contrasteert duidelijk met zijn eerste bezoek, waar niet aan al zijn verwachtingen bleek te zijn voldaan. Het toont dat de diplomatieke inspanningen van Johan de Witt, samen met de voorbereidingen van de Staten-Generaal, effectief waren in het herstellen van een positieve indruk bij de Toscaanse prins.

De brief van 10 december 1669
Ook na Cosimo’s tweede bezoek schrijft De Witt hem een brief, waarin het verfijnde diplomatieke taalgebruik weer opvalt. Het concept daarvan, wederom in het Frans en in het handschrift van Abraham de Wicquefort, luidt vrij vertaald als volgt:
Aan de Prins van Toscane
10 december 1669
Zeer illustere en zeer machtige Heer,
Het is niet zonder enige verlegenheid dat ik in de brief die Uwe Doorluchtigheid mij op de 5e van de vorige maand de eer heeft gedaan te schrijven, uitdrukkingen van beleefdheid aantref waarvan ik zou zeggen dat zij terecht een berisping verdienen, als ik niet overtuigd was dat zij slechts uit een teveel aan goedheid en edelmoedigheid zijn gebruikt. Ik verdien niet dat Uwe Doorluchtigheid van erkentelijkheid spreekt ten aanzien van mij, aangezien ik geen gelegenheid heb gehad u van dienst te zijn of u tot iets verplicht te hebben, tenzij zij gelooft dat de sterke genegenheid die zij wellicht in mij heeft opgemerkt mij enig deel in haar gunsten behoort te verschaffen.
Er is niets anders dan dát wat Uwe Doorluchtigheid in mijn persoon zou kunnen waarderen of koesteren; zoals ik van mijn kant altijd in de hare die uitnemende kwaliteiten zal vereren die haar zo’n vooraanstaande voorsprong geven boven alle andere prinsen die haar in geboorte kunnen evenaren. Ik durf hopen dat de gevoelens die hij voor mij heeft, en waarvan hij mij in zijn brief de eer doet getuigen, voor mij niet minder voordeel zullen hebben wanneer hij mij de gelegenheden zal laten ontstaan waarin ik hem bewijzen kan geven van de gevoelens die ik voor hem koester. Ik ben er zeker van dat hij mij de rechtvaardigheid zal doen te erkennen dat niemand hem met meer respect en onderdanigheid is dan ik.
Zeer illustere en zeer machtige Prins,
van
Uwe Doorluchtigheid
de nederigste en meest gehoorzame dienaar.
In deze tweede brief presenteert De Witt zichzelf, vergelijkbaar met zijn eerste brief, als bescheiden en respectvol, terwijl hij tegelijkertijd Cosimo prijst en zijn eigen positie als raadpensionaris subtiel bevestigt.
Internationaal aanzien
Bovenstaande brieven van De Witt laten dan ook duidelijk zien hoe zichtbaar hij was als Raadpensionaris binnen het internationale diplomatieke netwerk van zijn tijd. Dat Cosimo III, een Medici-prins, zich niet alleen tot de Republiek richtte, maar ook persoonlijk tot De Witt, bevestigt zijn rol als spil in het diplomatieke netwerk van de Republiek. Dit betekent overigens niet dat Cosimo hem als volledig gelijkwaardige gesprekspartner beschouwde: zijn eerdere brief bevat immers, gezien De Witts respons in 1668, een zeker verwijt over diens ontvangst in Den Haag. Tegelijkertijd tonen de brieven hoe De Witt zijn diplomatieke positie met finesse wist te benutten.
De Witt was een meester in persoonlijke diplomatie: hij combineerde beleefdheid, bescheidenheid en intellectuele scherpzinnigheid om relaties te onderhouden, opereerde cultureel en intellectueel scherp omdat hij begreep hoe kunst, wetenschap en cultuur van invloed was op politieke relaties en netwerkte effectief zonder erfelijke of dynastieke macht. Zijn invloed kwam immers niet uit adelijke titels of hofceremonies, maar uit respect, kennis en strategisch inzicht.
De citaten uit beide brieven laten zien hoe hij nederigheid en autoriteit subtiel balanceert, waardoor de Republiek internationaal zichtbaar en gerespecteerd bleef. Zo vormen deze brieven samen een klein, maar krachtig venster op De Witts invloed en status in het zeventiende-eeuwse Europa, waarbij zijn woorden zowel de verwachtingen van Cosimo als de belangen van de Republiek wisten te dienen.
Noortje Alderlieste, 5 april 2026
- Van Vugt, Ingeborg en Gloria Moorman. ‘Medici Rule Reimagined: Cosimo III, the Dutch Republic, and Grand Ducal Aspirations for Seventeenth-Century Tuscany (c. 1667-1723)’, Erudition and the Republic of Letters, 7 (2022), 386. ↩︎
- Idem, 387-388. ↩︎
- NL-HaNA, 1.01.02, inv. nr. 3277, scannr. 0088, ord. res. 13-1-1668, via Goetgevonden, maart 2026. ↩︎
- NL-HaNA, 1.01.02, inv. nr. 3277, scannr. 0089, ord. res. 14-1-1668, via Goetgevonden, maart 2026. ↩︎
- Van Vugt en Moorman. ‘Medici Rule Reimagined’, 387-388. ↩︎
- Van Veen, Henk Th. ‘Ein italienischer Augenzeuge eines Holländischen Ballets’, Maske unde Kothurn. Internationale Beiträge zur Theaterwissenschaft, 27 (1981), 123–134. ↩︎
- Blok, P. J. Verspreide studiën op het gebied der geschiedenis (1903), 194. ↩︎
- NL-HaNA, 1.01.02, inv. nr. 3279, scannr. 0515, ord. res. 20-6-1669, via Goetgevonden, maart 2024 ↩︎
Bronnen
Blok, P. J. Verspreide studiën op het gebied der geschiedenis (1903).
Brief van Johan de Witt aan Cosimo III de’ Medici, 6 juni 1668, 3.01.17, 20, Nationaal Archief.
Brief van Johan de Witt aan Cosimo III de’Medici, 10 december 1669, 3.01.17, 21, Nationaal Archief.
Brief van Johan de Witt aan Francesco Feroni, 7 juni 1668, 3.01.17, 20, Nationaal Archief.
Nationaal Archief Den Haag, toegangsnummer 1.01.02, Archief van de Staten-Generaal, inventarisnummer 3277, scannummer 0088, ordinaris resolutie van 13 januari 1668, via webapplicatie Goetgevonden (https://goetgevonden.nl), maart 2026.
Nationaal Archief Den Haag, toegangsnummer 1.01.02, Archief van de Staten-Generaal, inventarisnummer 3277, scannummer 0089, ordinaris resolutie van 14 januari 1668, via webapplicatie Goetgevonden (https://goetgevonden.nl), maart 2026.
Nationaal Archief Den Haag, toegangsnummer 1.01.02, Archief van de Staten-Generaal, inventarisnummer 3279, scannummer 0515, ordinaris resolutie van 20 juni 1669, via webapplicatie Goetgevonden (https://goetgevonden.nl), maart 2026.
Van Veen, Henk Th. ‘Ein italienischer Augenzeuge eines Holländischen Ballets’, Maske unde Kothurn. Internationale Beiträge zur Theaterwissenschaft, 27 (1981), 123–134.
Van Vugt, Ingeborg en Gloria Moorman. ‘Medici Rule Reimagined: Cosimo III, the Dutch Republic, and Grand Ducal Aspirations for Seventeenth-Century Tuscany (c. 1667-1723)’, Erudition and the Republic of Letters, 7 (2022), 385-433.

