Af en toe duikt er in de correspondentie van Johan de Witt een brief op die niet alleen historisch interessant is, maar vooral veel zegt over zijn positie en reputatie in het Europa van de 17e eeuw. Dat Johan de Witt een waardig diplomaat was, is al lange tijd bekend. Een prachtig voorbeeld hiervan is een brief van 6 juni 1668 aan Prins Cosimo III de’ Medici, de latere groothertog van Toscane. Op het eerste gezicht lijkt het slechts een beleefde brief, maar wie verder leest ziet dat het schrijven veel vertelt over De Witts internationale netwerk, zijn subtiele diplomatie en de manier waarop hij omging met Europese vorsten.
De Grand Tour en het bezoek van Cosimo
Cosimo III was in bepaalde opzichten een typische De’ Medici: nieuwsgierig, cultureel onderlegd en politiek actief. Net als vele jonge mannen uit de Europese elite ondernam hij een Grand Tour, een educatieve reis om kennis en ervaring op te doen. Tegelijkertijd bood deze reis hem een tijdelijke uitvlucht van zijn ongelukkige huwelijk met Margaretha Louise van Orléans, een nichtje van koning Lodewijk XIV.
Zijn eerste Grand Tour begon op 22 oktober 1667 en duurde zeven maanden. In de winter van 1667/68 bezocht de 25-jarige Cosimo de Republiek en maakte diepe indruk tijdens zijn uitgebreide route langs steden als Amsterdam, Haarlem, Alkmaar, Leiden, Den Haag en vele andere steden in de Republiek.[1] Toen hij in mei 1668 terugkeerde in Florence, bleek zijn vrouw hem nog steeds niet goedgezind. Dit spoorde hem aan tot een tweede Grand Tour die in september van datzelfde jaar aanving. Tijdens die reis zou hij in 1669 de Republiek opnieuw bezoeken.

Panorama van Utrecht, vanuit het noordwesten gezien, vervaardigd door Pier Maria Baldi, kamerheer en tekenaar tijdens Cosimo de’ Medici’s reis. Deze uitgewerkte tekening is gebaseerd op een reisschets gemaakt tijdens Cosimo’s bezoek aan Utrecht van 11–13 juli 1669. Het origineel bevindt zich in Cosimi III M.E. Principis iter per Europam, Cod. Pal. Med. 123 (Bibliotheca Laurenziana, Florence). Utrechts Archief, 28420. https://proxy.archieven.nl/0/5F8C493623855BE0A771C2C006D51DD0
In Amsterdam verbleef hij tijdens zijn eerste reis bij Francesco Feroni aan de Keizersgracht. Daar werd hij begeleid door Pieter Blaeu, zoon van Joan Blaeu, die hem introduceerde bij de wetenschappelijke, artistieke en bestuurlijke elite van de Republiek.[2] Zo ontmoette Cosimo talrijke vooraanstaande Nederlanders, zoals Rembrandt van Rijn, Michiel de Ruyter en Constantijn Huygens. Ter ere van zijn bezoek organiseerde de jonge prins Willem III op 5 februari 1668 zelfs een speciaal ballet.[3] Dat de jonge prins zo uitgebreid werd ontvangen, laat zien hoe open en gastvrij de Republiek was en hoe aantrekkelijk zij was als centrum van kennis, handel, kunst en politiek.
De brief van 6 juni 1668


Na afloop van zijn bezoek schreef Cosimo op 15 mei 1668 een brief aan Johan de Witt waarin hij hoogstwaarschijnlijk zijn indrukken en verwachtingen van het bezoek in Den Haag uiteenzette. Hoogstwaarschijnlijk, want deze brief is niet bewaard gebleven; dat hij wél is verstuurd, blijkt uit De Witts reactie op deze brief, die hij als raadpensionaris liet opstellen. Het concept daarvan, in het Frans en in het handschrift van Abraham de Wicquefort, luidt vrij vertaald als volgt:
Aan de Prins van Toscane
6 juni 1668
Monseigneur,
Ik had niet gedacht dat men, na vertrek uit Florence—de aangenaamste plaats van Europa—in Holland nog iets aangenaams zou kunnen aantreffen. En ik had mij nooit kunnen voorstellen dat Uwe Doorluchtigheid in mijn persoon iets zou hebben kunnen vinden dat hem ertoe kon brengen zich mijner te herinneren, als hij mij daarvan niet verzekerd had in de vriendelijke brief die hij mij de eer heeft gedaan op 15 mei te schrijven.
Ik betuig u daarvoor mijn zeer ootmoedige dank, want ik kon zoiets alleen van zijn goedheid verwachten, en ik verzoek u mij toe te staan hem te zeggen dat wat hij schrijft over de verplichtingen die hij jegens mij heeft, eerder een vriendelijk verwijt is: dat ik tijdens het korte verblijf dat hij hier heeft gehouden niet genoeg mijn best heb gedaan om er méér jegens hem te verwerven.
Ik kan Uwe Doorluchtigheid verzekeren dat ik geen moeite heb verzuimd, maar dat ik, in de positie waarin ik mij bevind, niet in staat ben prinsen van zulk een geboorte en zulk een verdienste werkelijk verplichtingen op te leggen. Ik moet mij tevredenstellen met hen mijn genegenheid te betonen, vergezeld van diep respect.
Dit is wat ik Uwe Doorluchtigheid heb trachten te laten blijken, en waarvan ik hem nog duidelijkere bewijzen zal geven, zo vaak het hem belieft mij gelegenheden te verschaffen waarin ik hem daadwerkelijk kan tonen dat ik ben,
Monseigneur,
van Uwe Doorluchtigheid
de zeer nederige en zeer gehoorzame dienaar,[Johan de Witt]
Diplomatie, bescheidenheid en culturele scherpzinnigheid
Cosimo’s eerste bezoek aan Den Haag had formeel weinig officiële status. Toch werd hij warm ontvangen door Johan de Witt en de Staten-Generaal. Het verliep echter niet helemaal volgens Cosimo’s verwachtingen: hij bleek grote waarde te hechten aan ceremoniële bezoeken en wenste enkel ontvangen te worden als een waarlijk soeverein.[4] Die teleurstelling vormde de achtergrond waartegen De Witt, in zijn brief aan Cosimo, zijn diplomatieke vaardigheden ten volle moest inzetten om de relatie te herstellen, waarbij hij beleefdheid en respect zorgvuldig moest afwegen tegen de praktische beperkingen die zijn functie als raadpensionaris met zich meebracht.
Al in de opening toont De Witt zijn diplomatieke finesse:
Ik had niet gedacht dat men, na vertrek uit Florence—de aangenaamste plaats van Europa—in Holland nog iets aangenaams zou kunnen aantreffen.
De Witt prijst Florence, hoewel hij er zelf nooit is geweest. Dit illustreert zijn culturele en diplomatieke scherpzinnigheid. Hij kende de reputatie van Florence en van De’ Medici, waarschijnlijk via reisverslagen, diplomatieke correspondentie en zijn brede netwerk van geleerden en ambassadeurs. Met dit compliment erkent hij dan ook op subtiele wijze het prestige van Cosimo en poogt hij zijn band met de prins te versterken.
Eén van de meest interessante passages uit deze brief is De Witts reactie op wat in Cosimo’s eerdere brief kennelijk een impliciet verwijt was over diens ontvangst in Den Haag. De Witt draait dit diplomatiek om:
…dat wat hij schrijft over de verplichtingen die hij jegens mij heeft, eerder een vriendelijk verwijt is: dat ik tijdens het korte verblijf dat hij hier heeft gehouden niet genoeg mijn best heb gedaan om er méér jegens hem te verwerven.
Met deze formulering erkent De Witt de kritiek, maar onttrekt hij tegelijkertijd de scherpe rand eraan. Hij verzekert Cosimo dat hij geen moeite heeft verzuimd en benadrukt dat hij, in zijn positie, geen prinsen van zulke geboorte en verdienste kan verplichten. Zijn ambt beperkt hem in wat hij aan vorsten van dit statuur kan aanbieden:
Ik moet mij tevredenstellen met hen mijn genegenheid te betonen, vergezeld van diep respect.
Dat is zowel oprecht als strategisch: De Witt erkent zijn institutionele beperkingen, maar toont tegelijkertijd zijn persoonlijke bereidheid om Cosimo in de toekomst meer diensten te bewijzen. De brief sluit vervolgens af met de klassieke hoffelijkheid van de 17e eeuw, waarin De Witt zijn beperkingen erkent, maar tegelijkertijd zijn kracht (persoonlijke charme, maar vooral respect en kennis van internationale diplomatie en hofprotocollen) behendig inzet:
de zeer nederige en zeer gehoorzame dienaar
Opvallend is dat juist deze slotgroet eigenhandig door De Witt aan het concept werd toegevoegd. Dat hij persoonlijk ingreep in precies dit deel van de brief, laat zien hoeveel waarde hij hechtte aan het vinden van de juiste toon. Zijn eigen handschrift in de afsluitende regels getuigt van een bewuste, strategische keuze om de relatie op persoonlijk niveau te herstellen en de juiste mate van nederige hoffelijkheid te treffen.
Internationaal aanzien
Bovenstaande brief van De Witt laat duidelijk zien hoe groot het internationale aanzien van Johan de Witt was. Cosimo III, een Medici-prins, richtte zich niet alleen tot de Republiek, maar ook persoonlijk tot De Witt, wat zijn rol als spil in het diplomatieke netwerk van de Republiek bevestigt. Dit betekent overigens niet dat Cosimo hem als volledig gelijkwaardige gesprekspartner beschouwde — zijn eerdere brief bevat immers, gezien De Witts respons, een zeker verwijt over Cosimo’s ontvangst in Den Haag — maar het laat wel zien dat De Witt zijn diplomatieke positie met finesse wist te benutten.
Tegelijkertijd toont de brief dat De Witt een meester was in persoonlijke diplomatie: hij combineerde beleefdheid, bescheidenheid en intellectuele scherpzinnigheid om relaties te onderhouden, opereerde cultureel en intellectueel scherp omdat hij begreep hoe kunst, wetenschap en cultuur politieke relaties beïnvloeden, en netwerkte effectief zonder erfelijke of dynastieke macht. Zijn invloed kwam niet uit adelijke titels of hofceremonies, maar uit respect, kennis en strategisch inzicht.
De citaten uit de brief laten zien hoe hij nederigheid en autoriteit subtiel balanceert, waardoor de Republiek internationaal zichtbaar en gerespecteerd bleef. Zo fungeert deze brief als een klein, maar krachtig venster op De Witts invloed en status in het 17e-eeuwse Europa, waarbij zijn woorden zowel de verwachtingen van Cosimo als de belangen van de Republiek wisten te dienen.
Noortje Alderlieste, 27 november 2025
Bronnen
Blok, P. J. Verspreide studiën op het gebied der geschiedenis (1903).
Brief van Johan de Witt aan Cosimo III de’ Medici, 6 juni 1668, 3.01.17, 20, Nationaal Archief.
Van Veen, Henk Th. ‘Ein italienischer Augenzeuge eines Holländischen Ballets’, Maske unde Kothurn. Internationale Beiträge zur Theaterwissenschaft, 27 (1981), 123–134.
Van Vugt, Ingeborg en Gloria Moorman. ‘Medici Rule Reimagined: Cosimo III, the Dutch Republic, and Grand Ducal Aspirations for Seventeenth-Century Tuscany (c. 1667-1723)’, Erudition and the Republic of Letters, 7 (2022), 385-433.
[1] Van Vugt, Ingeborg en Gloria Moorman. ‘Medici Rule Reimagined: Cosimo III, the Dutch Republic, and Grand Ducal Aspirations for Seventeenth-Century Tuscany (c. 1667-1723)’, Erudition and the Republic of Letters, 7 (2022), 387-388.
[2] Ibidem.
[3] Van Veen, Henk Th. ‘Ein italienischer Augenzeuge eines Holländischen Ballets’, Maske unde Kothurn. Internationale Beiträge zur Theaterwissenschaft, 27 (1981), 123–134.
[4] Blok, P. J. Verspreide studiën op het gebied der geschiedenis (1903), 194.

