De meeste brieven die Johan de Witt ontving zijn van mannen. Toch correspondeerde hij ook met vrouwen. Van hen aan Johan de Witt zijn ongeveer vijfhonderd brieven bewaard gebleven en juist daarin verschijnt ook een andere kant van hem dan in zijn politieke correspondentie. Een van die brieven komt van zijn oudtante Alida Adriaensdr. Trip. Zij was via de familie Heijmans verwant aan Johans vader Jacob de Witt en werd in de familie eenvoudig ‘moey [=tante] Trip’ genoemd. Sinds 1636 was zij weduwe van de rijke Amsterdamse koopman Elias Trip. In 1639 werd ze door Rembrandt van Rijn geschilderd, een portret dat haar status als welgestelde weduwe weerspiegelt.

Op 12 juni 1652 schrijft Tante Trip vanuit Amsterdam aan haar neef Johan, die dan nog in de functie van pensionaris van Dordrecht is afgevaardigd naar de Staten van Holland in Den Haag. De toon van de brief is opvallend huiselijk: [vrij vertaald]
Geliefde neef Jan de Witt,
Vorige week heb ik de doos en de tinnen kom goed ontvangen met daarin een zoete pastei, één voor mij en één voor mijn dochter Maria. Ik heb haar die meteen toegestuurd. Hartelijk dank daarvoor. De smaak is nog precies als vroeger, van die dubbel bereide bessen. Maar neef, als het jonge meisje daar veel van zou eten, zou zij er wel al te zoet van worden. Mijn nicht Sophia heeft er niets van kunnen proeven, want zij vertrok toen naar de Beemster.
Neef, ik ben een oude vrouw en weet u verder niets nieuws te schrijven. Ik stuur u de tinnen kom weer terug met een paar citroenen daarin. De kom is klein, er kon niet veel in, maar neemt u het alstublieft in dank aan.
Hiermee zal ik eindigen en u in de bescherming van de almachtige Heer aanbevelen. Doe uw vader en zusters ook mijn hartelijke groeten.
Geschreven te Amsterdam, 12 juni 1652.
Mijn nicht Alewijn laat u ook hartelijk groeten en dankt u eveneens voor haar deel van de zoete pastei.
Door mij,
uw liefhebbende nicht
Alidt Trip[Adressering:]
Aan mijnheer mr. Johan de Witt,
raadpensionaris van de stad Dordrecht,
met een tinnen kom.

Uit de brief valt meer af te leiden dan alleen dat De Witt een pastei heeft gestuurd. Het ging om een taart bereid met wat Alida ‘duibbelken bes’ noemt. Dat betekent waarschijnlijk dat de bessen verschillende keren in suikerstroop waren gekookt, een gebruikelijke conserveringsmethode in de zeventiende eeuw waarbij het fruit telkens opnieuw werd verwarmd, zodat de suiker diep kon intrekken. Het resultaat was bijzonder zoet en gold als een echte lekkernij. Dat Johan de Witt zelf in de keuken stond om de pastei te bereiden, ligt natuurlijk niet erg voor de hand, maar hij zal de lekkernij ongetwijfeld met zorg hebben laten maken en opsturen. Alida heeft er duidelijk plezier in. Ze bedankt hem hartelijk, maar voegt er meteen een grapje aan toe: als haar dochter Maria er te veel van zou eten, zou zij er zelf wel erg zoet van worden.

Die dochter is overigens niet zomaar iemand. Maria Trip was getrouwd met de Amsterdamse koopman Balthasar Coymans en werd net als haar moeder door Rembrandt geportretteerd. Ook Coymans zelf nam de moeite Johan voor de traktatie te bedanken. Hij schrijft dat zijn vrouw en kinderen de ‘sonderlinge ongewoone en aengenaem overtreffende soeticheyt’ met groot genoegen hebben geproefd, en die zij dankbaar hebben begoten ‘met eenen goeden toghe van de besten nectar t’uwer gedachten’.
De laatste zomer van Tante Trip
Ook een andere naam uit de brief laat zich thuisbrengen. De nicht Alewijn die van de pastei mocht proeven is Anna Alewijn. Vier jaar later duikt zij opnieuw op in de correspondentie met Johan de Witt. Op 13 juli 1656 schrijft zij hem zelf een brief vanuit de buitenplaats De Schans van de familie Trip bij Beverwijk. Tante Alida Trip had deze hofstede in 1645 gekocht van Adriaan Pauw, heer van Heemstede, om er de zomers door te brengen. Met haar komst werd De Schans het middelpunt van een uitgebreide familiekring waar kinderen, aangetrouwde familie en bezoekers uit Amsterdam en Dordrecht elkaar geregeld ontmoetten. Johan had het plan opgevat zijn tante daar te komen opzoeken, maar Anna liet hem weten dat haar toestand dat niet meer toeliet. Alida was zo zwak geworden dat zij nauwelijks nog haar boomgaard inkwam en ’s avonds vaak koorts had. Het waren de laatste dagen van haar leven. Twee weken later, op 28 juli 1656, zou Aletta Adriaensdr. Trip op 67-jarige leeftijd overlijden.
De brief met de pastei laat een andere kant van Johan de Witt zien. Niet de politicus die we kennen uit de grote staatsstukken en diplomatieke correspondentie, maar een lieve neef die een zoete bessenpastei naar zijn oude tante stuurt, die hem daarvoor hartelijk bedankt en hem een paar citroenen terugstuurt. In zulke brieven verschijnt een wereld die in de officiële politieke correspondentie zelden zichtbaar is: die van familie, zorg, humor en kleine gebaren. Ook dat hoort bij het verhaal van Johan de Witt.

