Zou de 12-jarige Agneta naast haar vader gestaan hebben, toen hij deze brief op 14 januari 1671 schreef? Of was ze misschien helemaal niet in de buurt? Op het eerste oog lijkt dit namelijk ‘gewoon’ een brief van raadpensionaris Johan de Witt te zijn. Het is overduidelijk in zijn handschrift geschreven. Pas als je de brief gaat lezen, blijkt dat Johan hier niet namens zichzelf spreekt. En heel klein, boven de adressering in de marge, staat de naam Agneta de Witt geschreven.

De Groote eere ende het singulier vermaeck ’t welck ick ende mijne suster Maria vele weecken, jae maenden, aen den anderen t’uwen huijse genoten hebben, verobligeren mij Uw Ed. daerover bij desen ten alderhoochsten te bedancken …
De 12-jarige Agneta en haar jongere zusje Maria waren net teruggekomen uit Dordrecht. Ze hadden een groot deel van de winter bij hun tante Johanna de Witt en hun oom Jacob van Beveren gelogeerd. Johan vond waarschijnlijk dat de meisjes hun tante moesten bedanken voor de goede zorgen. Ze vinden dat daar ook iets tegenover staat, de meisjes hopen ‘capabel te zijn om weer enige aangename diensten te kunnen doen’ voor hun tante, maar schrijven ook dat ze ‘door hun jonge jaren en andere gebreken nog te onbekwaam zijn’. Ze kunnen alleen maar hopen dat ze in de toekomst, ‘onder Gods Zegen tot meer capaciteit en perfectie gekomen zijn’, iets voor hun tante terug kunnen doen.

Johanna de Witt, in correspondentie vaak aangeduid als ‘vrouwe van Swijndrecht’ of ‘moeije [tante] van Swijndrecht’, speelde een belangrijke rol in het leven van de kinderen van Johan de Witt. Johans kinderen logeerden sinds de dood van hun moeder Wendela vaak en soms voor lange tijd bij hun familie in Dordrecht en Amsterdam.[1]

Hier nevens gaen wederom terugge een paer hoeden van nichte van Born bij abuijs voor de onse genomen zijnde, mede in ons coffer nevens ’t ander goet gepackt waren.
Deze brief uit naam van Agneta was niet alleen bedoeld om hun tante te bedanken voor de goede zorgen. Het begeleidde ook een pakketje. De meisjes hadden namelijk per ongeluk, bij het inpakken van hun koffer, een paar hoeden van hun nicht Van Born meegenomen naar Den Haag. Dit gaat vermoedelijk om de 16-jarige Johanna van Born, dochter van Aletta Hoogeveen en François van Born. Aletta was een volle nicht van Johan de Witt via zijn tante Cornelia de Witt. De hoeden werden met de brief mee teruggestuurd naar Dordrecht. Het naschrift, waarin de hoeden worden genoemd, liet Johan overigens door zijn klerk Jacob van den Bosch toevoegen. Waarschijnlijk droeg Johan hem ook op die hoeden naar Dordrecht te versturen.
Waarom bevindt deze brief van Agneta aan haar tante zich in het minuutboek van Johan de Witt? Johan schreef zijn eigen brieven vaak eerst in concept, waarna zijn klerk ze netjes overschreef. Mogelijk heeft hij dit ook voor Agneta gedaan. Johan zou de brief in klad voor haar hebben opgesteld, zodat zij deze daarna in het net kon overschrijven. Helaas is de nette versie van deze brief verloren gegaan. Gelukkig zijn er wel enkele brieven van Agneta aan haar vader bewaard gebleven, geschreven vanuit haar logeerplaats bij tante Jacoba Bicker in Amsterdam. Deze bieden niet alleen inzicht in haar schrijfstijl, maar ook in haar handschrift en de manier waarop zij haar gedachten formuleerde.

Tamarah de Groot, 20 november 2024
[1] Marinka Joosten, ‘In de arreslee. Anna de Witt aan Johan de Witt: 24 februari 1670’ in: Ineke Huysman en Roosje Peeters, Vrouwen rondom Johan de Witt (Soest 2024) 263-269.

