Tussen de losse papieren van Johan de Witt vonden we onlangs een kladje van zijn brief aan vice-admiraal Michiel de Ruyter, met wie hij een bijzonder goede verstandhouding had opgebouwd tijdens zijn verblijf op de vloot. Dat De Witt en De Ruyter elkaar vertrouwden en goed met elkaar overweg konden, wisten we al uit hun daden en uit De Ruyters eigen brieven. Maar hier zien we het zwart op wit, in De Witts eigen hand: een persoonlijke uitnodiging aan de admiraal en zijn vrouw, en daarmee het meest directe bewijs van een vriendschap die op zee was begonnen en aan land werd bezegeld.
Vrij vertaald luidt de brief als volgt:
Aan de heer Admiraal De Ruyter
Den Haag, 6 november 1665Mijnheer,
Nu ik zo lange tijd de eer heb gehad in uw gezelschap te verkeren, het genoegen van onze dagelijkse gesprekken te hebben genoten, en profijt te hebben getrokken van de kennis en ervaring die u met mij hebt gedeeld over allerlei zaken het zeewezen betreffende — waarover ik u dikwijls met mijn vragen lastig heb gevallen — voel ik mij verplicht, naast het afscheid dat wij mondeling namen, u ook bij dezen nog eens van harte te bedanken.
Ik hoop dat zich te eniger tijd een gelegenheid zal voordoen om die oprechte dankbaarheid niet alleen met woorden, maar ook met daden te tonen.
Verder wil ik u laten weten dat ik ernaar verlang om, zoals u mij beloofd hebt, ook hier bij mij thuis van uw gezelschap te mogen genieten. Dat zal, zo verwacht ik, niet lang meer op zich laten wachten, aangezien u uw overige werkzaamheden voor het land inmiddels hebt voltooid en u weldra hier zult moeten komen om aan de Staten van Holland en de Staten-Generaal verslag te doen.
Mijn echtgenote verzoekt u zeer vriendelijk uw beminde echtgenote mee te brengen, zodat ook zij het genoegen van haar gezelschap mag hebben — iets wat haar bijzonder aangenaam zal zijn.
Wij beiden brengen u en uw vrouw onze hartelijke groeten over en bidden God Almachtig u allebei in Zijn heilige bescherming te nemen.
Ik blijf, mijnheer,
Uw dienstwillige dienaar,Johan de Witt

Begin november 1665 was Johan de Witt teruggekeerd van een lang verblijf op de vloot, midden in de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog. Na de nederlaag bij Lowestoft in juni 1665 had hij, ondanks de zorgen van zijn familie, besloten zich persoonlijk bij de vloot te voegen om toezicht te houden op de organisatie en het moreel. Maandenlang verbleef hij aan boord van De Zeven Provinciën en later op de Hollandia, waar hij nauw samenwerkte met Michiel de Ruyter. Tussen beiden groeide een sterke persoonlijke band, gebaseerd op wederzijds respect en vertrouwen.


Vrijwel meteen na zijn terugkeer schreef De Witt zijn brief aan De Ruyter, een teken van de warme verstandhouding die was ontstaan. Kort daarop vond ook daadwerkelijk het bezoek plaats van Michiel de Ruyter en zijn vrouw Anna van Gelder aan het gezin De Witt in Den Haag. Uit een brief van De Ruyter van 17 december 1665 blijkt dat zij daar gastvrij ontvangen waren en dat hij met genoegen op dat bezoek terugzag, al is niet zeker of het vóór of ná het overlijden van De Witts dochtertje Elisabeth plaatsvond. Dat overlijden trof het gezin diep: het meisje, slechts anderhalf jaar oud, stierf op 18 november 1665. De Witt kocht één dag erna de familiegrafkelder in de Nieuwe Kerk (nummer 77). De begrafenis volgde op 20 november, in hetzelfde graf waarin op 22 augustus 1672, na hun gruwelijke moord, ook de lichamen van Johan en Cornelis de Witt zouden worden bijgezet.
Op 15 november 2025 vond in de Nieuwe Kerk in Den Haag een congres plaats ter gelegenheid van 400 jaar Johan de Witt, waar nog veel meer werd verteld over het familiegraf van de De Witten en de begrafeniscultuur daaromheen.
Ineke Huysman, november 2025

