Het gebruik van grondstoffen als strategisch onderhandelingsmiddel vormt al eeuwenlang een hoeksteen van internationale betrekkingen. Dat was recentelijk nog te zien bij de (mogelijke) grondstoffendeal tussen de Verenigde Staten en Oekraïne. Ook in de 17e eeuw vormde de handel in grondstoffen een belangrijk geopolitiek wapen. Een voorbeeld hiervan vonden we onlangs in een brief van Johan de Witt. In de brief draait het om de import van kwikzilver uit Oostenrijk. Hoofdrolspelers in deze ‘grondstoffendeal’ waren de Habsburgse keizer Leopold I en Johan’s zwager Jean Deutz.

De handel in kwik tussen het Habsburgse rijk en de Republiek
Kwik, of kwikzilver, werd grootschalig geïmporteerd naar de Republiek. Cinnobar, een kwikerts, was een belangrijke grondstof voor de ontwikkeling van vermiljoen. Dit rode pigment werd veelvuldig gebruikt in de scheepsbouw. Die kwik werd gewonnen in de mijn bij Almadén in Spanje en de mijn van Idrija van het Habsburgse rijk (het huidige Slovenië). De handel in kwik was een belangrijke inkomstenbron voor de Habsburgse keizer Leopold I. De keizer had voor de handel in kwik enkele keizerlijke factoren aangewezen, een soort handelsagenten die lokaal de belangen van de keizer voor de handel in kwik behartigden. Jean Deutz, zwager van Johan de Witt, was aangewezen als de keizerlijke factor in Amsterdam.[1] Deutz gebruikte de invloed van de raadpensionaris onder andere om aan lucratieve opdrachten te komen, waaronder de levering van 2000 vaatjes kwik per jaar aan Mexico vanaf 1664. [2]

Keizer Leopold I is ontevreden over de hoge belasting
Op 3 februari 1671 komt er een missive van de Raad van Admiraliteit in Amsterdam binnen bij de Staten-Generaal. Deze had op 24 januari 1671 een brief ontvangen van resident Hamel Bruijnincx van de Kamer van Financiën te Wenen uit naam van Keizer Leopold I. De keizer had namelijk aanhoudende klachten over de hoge belasting op de handel van kwikzilver uit Idrija. De belasting stond vast in de convoijen en licenten, een soort in- en uitvoerrechten. Van origine waren dit vergoedingen die betaald moesten worden voor de bescherming van koopvaarders tijden vijanden en het recht om handel te drijven met de vijand. Vanaf de vrede van Munster in 1648 kregen de convooien en licenten het karakter van gewone invoerrechten en werden geïnd door de Admiraliteitscolleges.

De gespannen relatie met het Habsburgse rijk
Keizer Leopold I wilde een veel lagere belasting op het kwikzilver maar het liefst een afschaffing. Een antwoord op zijn verzoek lag echter niet direct klaar. De Republiek moest haar eigen belangen beschermen, maar wilde de keizer ook weer niet direct de deur wijzen. Zowel de Republiek als Leopold I waren in 1671 wantrouwend tegenover de expansieplannen van Lodewijk XIV van Frankrijk. Toch was er geen formeel bondgenootschap. Er was echter geen formeel bondgenootschap. De Republiek richtte zich op de Triple Alliantie – een verbond tussen de Republiek, Engeland en Zweden tegen Frankrijk – terwijl Oostenrijk vanwege eerdere oorlogen nog wantrouwend stond tegenover de Republiek. De relatie tussen beide landen bleef daardoor gespannen, maar pragmatisch. Pas na lange tijd kwam de Staten-Generaal terug op het verzoek.
Johan de Witt stelt de verwachtingen bij
Jean Deutz zal, als keizerlijke factor, wellicht met enige ongeduld hebben gewacht op de beslissing van de Staten-Generaal. Johan de Witt was natuurlijk op de hoogte van de belangen van zijn zwager. Hij verwijst in een brief aan Deutz gedateerd 2 maart 1671 naar een gesprek dat de ontvanger-generaal van de Raad van Admiraliteit te Amsterdam, Jacob de Wilde, mogelijk met Deutz had gevoerd. De Wilde zou hierin de zaken rooskleuriger hebben voorgesteld dan deze werkelijk waren. Johan probeerde de verwachtingen bij Deutz, en daarmee bij de Keizer, bij te stellen:
Soo dat ick niet te gemoedt sie dat daerop (…) ijets favorabels ter intentie van de Keijser sal werden gedisponeert.

Een symbolisch gebaar naar de Keizer
Johan de Witt bleek gelijk te hebben. Op 21 april 1671 werd de klacht van Habsburgse keizer over de tarieven opnieuw in de vergadering van de Staten-Generaal besproken. Er werd besloten dat Bruijnincx, indien de Keizer opnieuw klachten zou hebben, in dat geval (en alléén dan) moet uitleggen hoe slecht onderbouwd die klachten waren.
…den voornoemden Resident Hamel Bruijnincx te gelasten, dat soo wanneer de voors clachten bij die van de Camere van finantie ofte andere ministers van den hoochstgedachten Roomschen keijser naerder souden mogen werden gereïitereert, hij in sulcken gevall ende anders niet, aen haer op de fondamenten hier vooren aengeroert, sal representeren hoe weijnich de voorschreve clachten sijn gefondeert…
Tegelijkertijd moest hij duidelijk maken dat het afschaffen van deze belasting niet kan worden geëist. Wel mocht hij in dat geval noemen dat de lijst van convoijen en licenten spoedig zal worden herzien. Hiermee probeerde de Staten-Generaal te laten zien dat ze bereid waren om de keizer ‘zo veel mogelijk tegemoet te komen’. Het was echter vooral een symbolisch gebaar: het maakte het eventueel mogelijk om in de toekomst de belasting op kwik te verlagen.

Tintelingen, roze wangen en nierfalen
Het werken met kwik was niet zonder gevaar. Het inademen van de dampen van de kwik is zéér giftig. Dit kan leiden van tintelingen in ledematen en roze wangen, vingertoppen en tenen tot hersenletsel, nier- en longbeschadiging. De toxiciteit van kwik werd al in de 16e-17e eeuw herkend, maar pas in de 20e eeuw werd het grootschalig erkend en gereguleerd. De mijn in Idrija bleef lang een belangrijke bron van werk en inkomen. Pas vanaf de jaren ’70 van de vorige eeuw, toen de markt voor kwik begon in te storten, werd de mijn gesloten. Idrija is nu, samen met Almadén, onderdeel van Unesco Werelderfgoed. De voormalige mijnstad is een museumstad geworden.
Tamarah de Groot, 29 maart 2025
[1] Jong, Kees de, ‘Idrija, een kwikmijn in Slovenië’, Gea-Geologie 1 (2022) 9-14.
[2] Kesler, C.K., ‘Amsterdamsche bankiers en de west in de 18e eeuw’, Nieuwe West-Indische Gids 8, 1 (1927) 499-516.

