In zijn leven heeft Johan de Witt een groot aantal verhuizingen meegemaakt. In Den Haag zijn alleen al negen woonadressen van hem bekend. Een daarvan is het huis dat ook wel bekend stond als ‘De Witte Molen’. Een huis dat vandaag de dag helaas niet meer bestaat, omdat het plaats heeft moeten maken voor het gebouw van de Tweede Kamer.
De tuin van De Witte Molen grensde aan de tuin van het Mauritshuis, aan het Plein. De slotgracht van het Binnenhof scheidde de tuinen van elkaar. Het was de perfecte plek, dichtbij de werkplek van De Witt.[1] Ook Constantijn Huygens woonde in de buurt. Hij liet aan het Plein, grenzend aan de Lange Poten, in 1639 een stadspaleis bouwen ontworpen door hemzelf in samenwerking met Jacob van Campen en Pieter Post. Daarmee waren hij en Johan de Witt elkaars naaste buren en zullen ze elkaar ongetwijfeld vaak hebben gezien en gesproken.

De Witte Molen was geen eigendom van De Witt. Hij huurde het in 1661 van Hendrick Waerden, een koopman uit Amsterdam. Een concept van deze huurovereenkomst is bewaard gebleven in het archief van De Witt.[2] Hierin zijn nogal wat aanpassingen aangebracht. De Witt kende de naam van de verhuurder aanvankelijk niet en noteerde ‘N.N.’ Later voegde hij ‘Hendrick Waerden’ toe, maar op een kaart uit dezelfde periode staat Johan van Waerden als eigenaar. Mogelijk bleef De Witt onzeker over de juiste naam. Ook zijn eigen titel heeft De Witt later aangepast. Eerst schreef hij ‘de voornoemde heere huijrder’, wat later aangepast werd naar ‘de voornoemde Raedtpensionaris’.

Het huis had een koetshuis en stal voor paarden, en was voor het grootste deel nog nooit bewoond geweest, zo staat in de overeenkomst. Voor 850 gulden per jaar konden De Witt en zijn vrouw Wendela Bicker dit huis huren. Volgens het document moest de huur ingaan op 1 mei van het jaar 1661, voor een periode van zes jaar. De Witt zou hier uiteindelijk langer, tot 1669, blijven wonen. Na het overlijden van zijn vrouw zocht De Witt een woning met een aangrenzend pand. Zo kon hij zijn schoonzus en zwager huisvesten, die hem konden ondersteunen bij de zorg voor zijn vijf kinderen. Dat huis vond hij aan de Kneuterdijk 6, nu bekend als het Johan de Witt huis.[3]
De hertaalde huurovereenkomst luidt:
Op heden, de 7e februari 1661, is tussen Hendrick Waerden, koopman te Amsterdam, aan de ene zijde, en Johan de Witt, raadpensionaris van Holland en West-Friesland, als huurder aan de andere zijde, overeengekomen en vastgelegd dat de voornoemde raadpensionaris voor de duur van zes opeenvolgende jaren – waarvan het eerste jaar zal ingaan op 1 mei van het lopende jaar 1661 – het gebruik en de bewoning zal verkrijgen van een bepaalde woning en erf, gelegen in ’s-Gravenhage, achter het Binnenhof en tegenover de Singel, bij het pand dat tot op heden bekendstaat als ‘De Witte Molen’.
Deze woning omvat tevens een koetshuis, stallen en alle bijbehorende voorzieningen. De huurprijs bedraagt 850 Carolusguldens per jaar, te voldoen telkens na afloop van een half jaar en in één betaling aan degene die de voornoemde verhuurder daartoe zal aanwijzen. De huurder is vrijgesteld van de betaling van belastingen of andere lasten.
De voornoemde verhuurder verbindt zich ertoe de woning, die grotendeels nog nieuw en onbewoond is, volledig af te werken en in te richten conform de vereisten. Dit omvat onder meer het scheiden van ruimtes waar nodig en gewenst, in het bijzonder:
- Het plaatsen van een fraai schilderstuk in de lijst boven de schoorsteen van de grote zaal;
- Het plaatsen van twee deuren en een bedstede op de aangewezen locaties;
- Het aanbrengen van decoratieve stenen in twee of drie haarden;
- Het uitvoeren van verdere redelijke aanpassingen die, zonder aanzienlijke kosten, het comfort kunnen verhogen of anderszins noodzakelijk blijken,
- In het bijzonder dient, indien in sommige kamers tochtproblemen optreden en de schoorstenen niet goed trekken, dit met alle geschikte middelen te worden verholpen .[4]
De huurder en verhuurder verplichten zich verder om zich in alle overige aangelegenheden te houden aan de beschreven wetten, evenals aan de gebruiken en heersende gewoonten binnen ’s-Gravenhage
Ter bevestiging hiervan is deze overeenkomst opgesteld in tweevoud en ondertekend te Amsterdam, op de dag en het jaar als hierboven vermeld.
Marinka Joosten, 16 maart 2025
[1] Rowen, John de Witt, grand pensionary, 491-493.
[2] Nationaal Archief, archief 3.01.17, inventarisnummer 80
[3] Rowen, John de Witt, grand pensionary, 493
[4] Deze alinea is doorgehaald. Mogelijk was de verhuurder het niet eens met de tekst, of vond De Witt dat dit soort zaken niet in de officiële overeenkomst thuishoorden.

