Op 26 december 1670 stuurde Anna van der Burch, nicht van Johan de Witt, een brief aan Johan. Ze nodigde daarin zijn oudste dochter, de 15-jarige Anna de Witt, uit om te komen te logeren. Uit de correspondentie van Johan in de eerste week van januari 1671 weten we dat hij zijn dochter op maandag 5 januari zelf naar Leiden heeft gebracht. Maar daarna bleef het stil, terwijl Anna toch vaak brieven schreef naar haar vader als ze niet thuis was. En dat viel ook Johan op…
Als Johan na ruim een week nog niks gehoord heeft, kruipt hij zelf in de pen. Op 14 januari 1671 schrijft hij Anna dat hij verbaasd is dat hij nog niks van haar heeft gehoord. Uit zijn woorden klinkt een vader die teleurgesteld is in zijn puberende dochter. Hij kan zich niet voorstellen dat Anna het daar zo druk heeft, dat ze niet even een uur de tijd heeft om aan hem of aan haar tante van Swieten een briefje te schrijven.
Ick hadde niet getwijffelt off ick soude al een letterken van u vernomen hebben eer ende bevorens soo vele daegen naer uw vertreck uut Den Haege doorgeloopen souden sijn geweest; ick en kan echter niet dencken dat de affaires aldaer soo menichvuldich en soo pressant vallen dat ghij niet een uijrken soudt connen uutvinden om een brieffken aen mij ofte aen uwe moeije van Swieten te schrijven.
Wat zou ze allemaal aan het doen zijn? Het is goed om te weten dat Anna de Witt daar niet in haar eentje was. Haar 16-jarige achternichtje Johanna van Born was ook mee naar Leiden. En Anna van der Burchs eigen dochter, de 25-jarige Cornelia Dina van Hoogeveen, was er natuurlijk ook. De meiden hadden het ongetwijfeld heel gezellig met elkaar.

Anna van der Burch woonde vermoedelijk op Rapenburg 38, het huis van haar wijlen man Gerard van Hoogeveen.[1] Het huis ligt bijna tegenover het academiegebouw van de Universiteit van Leiden. Het was onder andere de universiteit die ervoor had gezorgd dat Leiden in de 17e eeuw de tweede stad van de republiek was geworden. Mannen vanuit heel Europa waren naar de stad gekomen om er te studeren. Ook vader Johan had er rechten gestudeerd en met Christiaan Huygens wiskundelessen gevolgd bij Frans van Schooten jr. Al die studenten brachten ook een hoop levendigheid met zich mee. Je kunt je wellicht voorstellen dat dit voor een paar jonge meiden erg interessant moet zijn geweest. Het uitblijven van een brief van zijn dochter was dan ook niet de énige reden dat Johan haar schreef. Bepaalde geruchten hadden hem bereikt in Den Haag …
Ick hebbe al verlangt te mogen weten met wat geselschap ghij ende de nichten aldaer haer divertissement meest genomen hebben, te meer alsoo ons hier al geruchten voorcomen van vrijagien aen de nichten van Born ende van Hoogeveen, daervan men vremdt vindt dat ick mij ’t eenmael ignorant houde nietjegenstaende mijn eijgen dochter bij haer is, ende mij wel eens door een brieffken, soo men meent, sal hebben geadverteert van ’tgene aldaer passeert.
In zijn brief schrijft Johan dat hij graag wil weten met welk gezelschap Anna en de nichten in hun vrije tijd omgaan. Geruchten van ‘vrijagien’ aan de nichten Johanna van Born en Cornelia Dina van Hoogeveen hadden hem in Den Haag bereikt. En blijkbaar waren die geruchten toch wel zo stevig, dat anderen hém er weer naar hadden gevraagd. Zijn dochter was er toch immers bij? Had ze hem er nog niet over geschreven? De zorgen van Johan over de ‘vrijage’ van de nichten en de interesse in het gezelschap waar dochter Anna zich in bevindt, geven wel aan hoe belangrijk goede sociale relaties waren in de 17e-eeuwse samenleving.
De 17e eeuwse ‘vrijage’ waren de eerste stappen richting een serieuze relatie. Dat werd eigenlijk geïnitieerd door de man, die zijn oog had laten vallen op een specifieke vrouw.[2] Zij waren elkaar dan een aantal keer tegengekomen bij sociale bijeenkomsten, hadden elkaar gesproken op de kermis of kenden elkaar omdat ze bij elkaar in de buurt waren opgegroeid. De man deed vervolgens een verzoek tot ‘acces’ of ‘verkeeringe’. Dit was een teken naar de ouders, maar ook naar de buitenwereld, dat de relatie een serieuze vorm begon aan te nemen. Ook de gezamenlijke kerkgang hoorde hierbij. Deze stap was zó serieus, dat dit niet zonder opspraak opgezegd kon worden. Een beetje vergelijkbaar met een verlovingsring. Vanaf de eerste terugkerende ontmoetingen tot een daadwerkelijk huwelijk kon redelijk lang duren: een aantal jaar was hierin niet ongebruikelijk.

Wat zou Anna aan haar vader geantwoord hebben over de vrijage van haar achternichtjes? Dat ze een brief terug schreef weten we, omdat Johan dáár weer op reageerde. Maar Anna’s brief is helaas niet bewaard gebleven. Johan komt er in zijn brief aan haar ook niet meer op terug. Kunnen we zelf een idee vormen over wie het zou kunnen gaan? Dat de geruchten over de vrijage tot aan Den Haag reikten, doet misschien wel vermoeden dat het al wat serieuzer werd. Van Johanna van Born is niet bekend of en met wie ze getrouwd is. Van de andere achternicht, Cornelia Dina, weten we dat wel. Zij trouwde op 19 februari 1675, vier jaar na de logeerpartij dus, met Jacob Paets. Jacob woonde in het huis op Rapenburg 19 (tegenwoordig Japanmuseum Sieboldhuis). Cornelia Dina en Jacob waren dus bijna (over)buren. Zo’n vrijage kon, zoals eerder gezegd, makkelijk enige jaren in beslag nemen. Zijn we met deze brief getuige van de eerste stappen in hun relatie? We zullen het nooit zeker weten.
Tamarah de Groot
29 november 2024
[1] Zijn adres, en die van de verderop genoemde Jacob Paets, zijn terug te vinden op de website over het Eva van Hoogeveenhof in Leiden. Hieruit blijkt ook dat dat beide panden nog tot in de 18e eeuw in de familie zijn gebleven. ‘Biografie van de Regenten’, Eva van Hoogeveenhof. https://www.evavanhoogeveenhof.nl/biografie-van-de-regenten, laatst geraadpleegd 29 november 2024.
[2] Haks, D, Huwelijk en gezin in Holland in de 17e en 18e eeuw (1985, Utrecht) 110.

