Hoe Johan de Witt de vergaderruimte van de Staten van Holland vormgaf
Na het overlijden van Willem II van Oranje speelden de Staten van Holland een bepalende rol in het besluit van de Staten-Generaal om geen nieuwe stadhouder aan te stellen. In de afwezigheid van een stadhouder kwam de provinciale soevereiniteit volledig bij de Staten van Holland te liggen. Die nieuwe machtspositie vroeg om een vergaderruimte die de toegenomen status ook visueel onderstreepte – een gebouw met allure. Johan de Witt, toen nog pensionaris van Dordrecht, werd aangewezen als voorzitter van de commissie die de bouw moest voorbereiden, een teken van het vertrouwen dat men toen al in zijn bestuurlijke kwaliteiten stelde.

Sinds de 16e eeuw vergaderden de Staten van Holland op een vaste plek in Den Haag, namelijk op de begane grond van een van de oude woonhuizen aan het Binnenhof.1 Die ruimte voldeed echter niet meer aan de eisen van de tijd. Er was behoefte aan een vergaderzaal met meer uitstraling – ‘ter ere van de Provincie’ – én meer comfort voor de leden. Johan de Witt, inmiddels aangesteld als voorzitter van de bouwcommissie, kreeg hierin een sleutelrol. Op 3 februari 1652 presenteerde hij in de vergadering het plan: compleet met een maquette, technische specificaties en een begroting.2 Er zijn sterke aanwijzingen dat het eerste schetsontwerp door de commissie zelf is vervaardigd – met De Witt als voornaamste drijvende kracht.3


De Staten van Holland verzochten de commissie om eerst advies in te winnen ‘van eenige andere Architecten’ alvorens over te gaan tot de aanschaf van materialen. Slechts vier dagen later, op 7 februari 1652, keerde Johan de Witt al terug met een concreet antwoord.4 Hij had de gerenommeerde architect Pieter Post gevraagd naar de plannen te kijken. Post, die zijn carrière begonnen was als leerling van Jacob van Campen, was op dat moment hofarchitect van Frederik Hendrik en Amalia van Solms en had eerder, samen met Van Campen, een belangrijke rol gespeeld bij de bouw van het Mauritshuis. In enkele dagen tijd had hij het plan van de commissie bestudeerd, van aantekeningen voorzien en nieuwe tekeningen gemaakt. Hoewel bekend is dat Post snel werkte, wekt de snelheid van deze gang van zaken toch de indruk dat De Witt al eerder zijn medewerking had gevraagd.5 De plannen werden vervolgens goedgekeurd, de materialen aangeschaft, en Post werd verzocht bij de uitvoering nauw betrokken te blijven. Samen met opzichter en meestertimmerman Pieter Arentsz. Noorwits was hij verantwoordelijk voor het verdere verloop van de bouw.
‘Om te maecken een aensienlijck, ende commodieus gebouw’
Op 9 februari 1652 schrijft Johan de Witt een brief aan raadpensionaris Adriaan Pauw, die op dat moment in Engeland verblijft met een extraordinaris gezantschap bestaande uit Jacob Cats, Gerrit Schaep en Adriaan van de Perre. De missie had tot doel een oorlog met Engeland te voorkomen, maar lijkt op dat moment al mislukt. In zijn brief meldt De Witt dat er in Holland eindelijk overeenstemming is bereikt over de bouw van een nieuwe vergaderzaal voor de Staten. Er zal, zo schrijft hij, een ‘aensienlijck ende commodieus gebouw’ worden gerealiseerd. Daarbij merkt hij op dat het nieuwe gebouw net zo ver in de Hofvijver zal uitsteken als ‘den toorn op den hoeck van ’t Hoff’ – een indicatie van de monumentale opzet en de gewenste samenhang met de bestaande architectuur van het Binnenhof.

Vrij vertaald citaat uit bovenstaande brief:
Gisteren is eindelijk het definitieve besluit genomen om de vergaderplaats van hun Grootmogenden aan te passen en er een representatief en comfortabel gebouw van te maken. De bestaande muur aan de noordzijde van het Binnenhof zal daarvoor worden doorgetrokken, tot in de Hofvijver, even ver als de toren op de hoek van het Binnenhof uitsteekt. De bedoeling is dat de vergaderzaal van hun Grootmogenden boven komt, via een trap bereikbaar. Volgens het gemaakte model zal deze zaal ongeveer 70 voet lang en 43 voet breed worden. De heren van de Rekenkamer zijn verzocht het werk zo spoedig mogelijk aan te besteden en de benodigde materialen zo efficiënt mogelijk in te kopen.
Over macht en moraal
Als uitgangspunt diende de bestaande vergaderkamer van de Staten van Holland. Deze werd aan de noordzijde uitgebreid in de richting van de Hofvijver – tot zover als ook het torentje op de hoek van het Binnenhof uitsteekt – en tevens aan de oostzijde vergroot. Voor die laatste uitbreiding moest een deel van de residentie van prinses Mary Stuart worden afgebroken. Dat de vergaderruimte van de Staten uitgroeide ten koste van de prinses was veelzeggend en symbolisch voor de verschuiving van de macht.6 In 1655 was het casco – de ruwbouw – voltooid. Dit jaartal is nog altijd op diverse plaatsen terug te vinden, onder meer boven de toegangsdeur tot de vergaderzaal.


Allegorie op de oorlog, Jan Lievens, 1664, en Adriaen Hanneman, Allegorie op de Vrede, 1669, Eerste Kamer der Staten-Generaal, Rijksvastgoedbedrijf.
Het zou nog tot 1666 duren voordat ook de inrichting van de nieuwe vergaderzaal voltooid was. Daarbij werden kosten noch moeite gespaard. Sindsdien vergaderen de Staten van Holland – en tegenwoordig de Eerste Kamer – onder het wakend oog van twee imposante schilderijen: Allegorie op de Oorlog (1664) van Jan Lievens en Allegorie op de Vrede (1669) van Adriaen Hanneman. Dat Johan de Witt persoonlijk bij de totstandkoming betrokken was, blijkt uit de correspondentie met Jan Lievens over diens Allegorie op de Oorlog. In een brief van 24 april 1664, bewaard in het Nationaal Archief, schrijft Lievens aan De Witt dat hij van plan is er “iets speciaels” van te maken, aangezien oorlog een schilderachtig onderwerp is. Vanwege de renovatie van het Binnenhof zijn deze schilderijen, voor het eerst in bijna vier eeuwen, op een andere locatie te zien. Van 27 april tot en met 26 oktober 2025 maken zij deel uit van de tentoonstelling De Wereld van Johan de Witt in het Dordrechts Museum.
Bij de voltooiing van de bouw beschikten de Staten van Holland, mede dankzij de inzet van Johan de Witt, over een van de meest monumentale vergaderzalen in de Republiek.7 Het was De Witt die de eerste plannen had opgesteld, die bepaalde dat een deel van de residentie van Mary Stuart moest wijken, en die zich persoonlijk bemoeide met de inrichting – tot en met de keuze en thematiek van de schilderijen. Zo gaf hij, nog vóór zijn benoeming tot raadpensionaris, op tastbare wijze gestalte aan de herschikking van de macht binnen de Republiek.
Tamarah de Groot, 23 april 2025
- J.J. Terwen en K.A. Ottenheym, Pieter Post (1608-1669), 163. ↩︎
- Resolutien van de Heeren Staten van Hollandt en Westvrieslandt (1652), 44. ↩︎
- Terwen en Ottenheym, Pieter Post, 164. ↩︎
- Resolutien van de Heeren Staten van Hollandt en Westvrieslandt (1652), 54. ↩︎
- Terwen en Ottenheym, Pieter Post, 165. ↩︎
- Luc Panhuysen, De Ware Vrijheid, 117. ↩︎
- Terwen en Ottenheym, Pieter Post, 172. ↩︎
