Van Johan de Witts conceptbrieven, de zogenoemde minuten, zijn er duizenden overgeleverd. Gewoonlijk schreef hij deze in klad, waarna een van zijn klerken de tekst in het net overschreef. Toch zijn er soms tussen die kladbrieven ook originele, verzonden brieven bewaard gebleven, mét handtekening, adressering en vouwsporen. De Witt legde zelf uit waarom dat zo was. In een nawoord aan de ontvanger noteerde hij:
Aengesien de tijd mij niet toe en laet hiervan copije te bewaeren, bidde ick dat mij dese in originali weder terugge mogen werden gesonden, opdat ick aen mijne instructie moge voldoen die mij belast mijne minuten te bewaeren. In Den Briele, den 8en juni 1667.



Een dergelijk verzoek treffen we begin juni 1667 drie keer aan: in een brief van 8 juni uit Den Briel aan Coenraed van Beuningen en in twee brieven aan zijn broer Cornelis, van 8 juni uit Den Briel en van 10 juni uit Den Haag. De context is veelzeggend. Juist in deze dagen was De Witt intensief betrokken bij de voorbereidingen van de Tocht naar Chatham. Na de zware zeeslagen van 1666 had hij de vloot laten herstellen en versterken, zodat in juni 1667 een gedurfde aanval op de Theems en de Medway mogelijk was.

Omdat hij zich in Den Briel en Hellevoetsluis persoonlijk met de laatste details bezighield – van bevoorrading en bemanning tot instructies aan De Ruyter en zijn broer Cornelis – was er eenvoudigweg geen tijd om de brieven door zijn klerken te laten overschrijven. Hij schreef ze daarom zelf, met de uitdrukkelijke instructie aan de ontvangers deze na lezing te retourneren, zodat hij alsnog zijn administratie kon completeren. Het zijn uitzonderlijke documenten die de druk van dat beslissende moment in de oorlog laten zien.
