Al sinds de Tachtigjarige Oorlog bestonden er diplomatieke contacten tussen de Republiek der Verenigde Nederlanden en het Ottomaanse Rijk. Dit begon met het aantreden van Cornelius Haga als Nederlands ambassadeur te Constantinopel. Na zijn aftreden in 1639 werd de Republiek enige tijd niet officieel vertegenwoordigd in de hoofdstad van het Ottomaanse Rijk, behalve door zogenaamde ‘zaakgelastigde’ of waarnemende residenten. Hierin kwam verandering toen de advocaat Justinus Coljer op 21 juli 1667 door de Staten-Generaal benoemd werd tot resident bij de Porte, de vroegmoderne benaming voor de Ottomaanse regering en haar machtscentrum in Constantinopel, oorspronkelijk genoemd naar de hoofdingang van het paleis waar de sultan en zijn ambtenaren zetelden.[i]
Samen met zijn gezin vertrok Coljer op 23 oktober 1667 vanaf Texel, om na een lange reis met vele tussenstops op 12 april 1668 in Smyrna aan te komen. Meer dan een maand later, op 25 mei, bereikte het gezin Coljer eindelijk Constantinopel. Kort daarop verkreeg de kersverse resident zijn eerste audiëntie bij Mehmet IV in Adrianopel, waar hij de sultan en andere aanzienlijken overlaadde met geschenken. Coljer zou hier van 1668 tot 1682 de Republiek vertegenwoordigen, waarbij de nadruk vooral lag op het sluiten van nieuwe handelsakkoorden tussen de twee landen.[ii]

Aan het begin van zijn residentie leek Coljer wat onervaren, want vrij snel na zijn aankomst raakte hij in opspraak. Zijn reisverslag of dagregister, waarin hij de lange reis, zijn belevenissen in het Ottomaanse Rijk en zijn ontmoetingen met bewoners en bestuurders uitvoerig beschreef, en wat hij als verslag aan Staten van Holland en West-Friesland en de Staten Generaal had gestuurd was onderweg onderschept, bewerkt en in druk uitgegeven. In een eerdere blog van Dio Möllers, Rooie oortjes in de Republiek. De sodomitische sultan, wordt dit schandaal uitvoerig besproken. Dit diplomatieke schandaal weerhield de Staten-Generaal er overigens niet van om Coljer in 1680 officieel te benoemen tot ambassadeur.
Franse spanningen
Vanuit de diplomatieke residentie in de wijk Pera hield Coljer verschillende contactpersonen op de hoogte van alles wat er gebeurde in het Ottomaanse Rijk. Volgens een register dat bewaard is gebleven in het archief van de Legatie in Turkije (1668-1810) schreef hij brieven aan de Staten-Generaal, de Staten van Holland, de directie van de Levantse Handel en – natuurlijk – aan raadpensionaris De Witt. Het lijkt er echter op dat (in ieder geval) één brief uit dit register ontbreekt, namelijk een die Coljer op 7 maart 1669 verstuurde.[iii] Gelukkig is deze brief terug te vinden in het archief van de raadpensionaris. Wellicht dat de inhoud daarvan de reden was voor de resident om het uit zijn register te schrappen. Want niet lang na de publicatie van zijn dagregister kwam Coljer opnieuw in een diplomatieke rel terecht. Deze keer betrof het een conflict tussen de resident en de Franse ambassadeur te Constantinopel, Denis de la Haye, heer van Vantelet.

De la Haye was in december 1665 benoemd tot de achttiende ambassadeur van de Franse koning aan het Ottomaanse hof. Blijkbaar was de heer van Vantelet niet erg geliefd onder andere buitenlandse vertegenwoordigers. Coljer geeft in zijn brief aan dat de ambassadeur sinds zijn aankomst de minister van Engeland niet had begroet en dat hij de vertegenwoordigers van Genua en de Republiek zelfs had ‘gechoqueerd’. De resident gaat niet in op wat er precies met de andere ambassadeurs is gebeurd. Wel behandelt hij uitgebreid wat tussen hem en De la Haye was voorgevallen.
Bij zijn vertrek uit de Republiek had Coljer een Franse chef-kok in dienst genomen. Toen in de winter van 1668 de pest was uitgebroken in Constantinopel, verbood de resident zijn bedienden om de straat op te gaan. De kok had dit verbod verschillende keren overtreden en was daarop aangesproken door Coljer. Dit alles leidde ertoe dat de kok in november wegliep. Hij sprong over de muur van de residentie en had zijn toevlucht gezocht in het hof van de Franse ambassadeur. Toen Coljer hier lucht van kreeg stuurde hij direct zijn dragoman (een lokale begeleider, gids of tolk) richting de ambassade om hem in ‘civile termen’ te laten verzoeken dat de kok weer werd teruggestuurd. De la Haye had dit verzoek niet alleen ‘forcelijk’ afgewezen, maar botweg gesteld dat de kok, als oorspronkelijk Franse onderdaan van ‘zijn keizer’ (zoals De la Haye koning Lodewijk XIV noemde), het recht had om in de Franse ambassade te blijven.

Coljer besloot de zaak te laten rusten, totdat enige tijd later vier Franse oorlogsschepen aanmeerden in de haven van Constantinopel. Een Nederlander die als ‘busschieter’ of kanonnier op een van deze schepen werkte, had eerder tijdens zijn verblijf in Constantinopel timmerwerkzaamheden verricht voor Coljer. Op 20 februari vluchtte de Nederlander naar het huis van de resident om zich daar schuil te houden. Een dag later liet een van zijn dienaren weten dat de man om zijn bescherming vroeg. Coljer liet de kanonnier bij zich komen en vroeg waarom hij was gevlucht. De Nederlander vertelde hem dat hij vier jaar lang voor de Fransen had gewerkt zonder zijn paspoort terug te krijgen en dat hij in deze tijd nog erger was behandeld dan een slaaf. Hij smeekte om via de resident terug te kunnen keren naar de Republiek. Coljer verzekerde de kanonnier dat hij enige tijd onderdak kon krijgen, maar besefte ook dat hij gebruik kon maken van de situatie. Hij wilde De la Haye laten zien dat ‘als ick wilde, mede quaet kende doen’.
Al gauw kwam de kapitein van het Franse schip aan de resident vragen of de Nederlander zich daar schuilhield. Coljer bevestigde dit en informeerde de kapitein over alles wat was voorgevallen met zijn kok en liet hem weten dat daarover eerst maar eens met de Franse ambassadeur gesproken moest worden.
Op 25 februari kwamen opnieuw enkele lieden verhaal halen. Deze keer had De la Haye, aldus Coljer, zijn minst capabele dragoman en een lokale ambtenaar, een zogenaamde kaymakam – een titel die werd gebruikt voor bepaalde ambtenaren binnen het Ottomaanse Rijk – gestuurd om de Nederlandse busschieter mee te nemen. De resident beklaagde zich dat hij deze gang van zaken zeer vreemd vond en dat de Franse ambassadeur hem met meer beleefdheid moest behandelen. Daarnaast vond hij het schandalig dat De la Haye dit conflict tegenover een christen met Turkse assistentie probeerde op te lossen. Coljer zou de Nederlander alleen uitleveren als hij zijn kok terug zou krijgen. Ook wilde hij zich niet laten commanderen door de kaymakam, maar was hij wel bereid hem te laten bemiddelen in deze diplomatieke rel.
De heren keerden zonder de Nederlandse busschieter terug naar de Franse ambassade. In reactie dreigde de Franse ambassadeur dat wanneer Coljer de Nederlander niet zou uitleveren, hij alle soldaten aan boord van de vier schepen zou mobiliseren om hem met geweld uit zijn huis te halen. Coljer schreef De Witt: ‘ick dede hem bedancken voor die waarschouwinge, ende seggen dat Sijne Excellentie nu niet onvoorsien soude komen, ende dat ick hem verwachten soude’. Het bleek een loze bedreiging die volgens Coljer ‘met de wint [werd] verdreven.’

Niet lang daarna, op 27 februari, verschenen de dragomannen van Coljer en De la Haye voor de kaymakam en deden zij verslag van de gebeurtenissen. De volgende dag werd Coljer in het gelijk gesteld. De la Haye bekende schuld en stemde erin toe dat de Nederlander in het huis van de resident mocht blijven. De kok was vermoedelijk al eerder vertrokken, zodat de ambassadeur hem niet meer terug hoefde te sturen. Coljer nam de man weer in huis, maar had wel zijn bedenkingen bij de gehele situatie. Daarnaast wilde de resident aan iedereen laten zien dat hij het gedrag van de Franse ambassadeur in deze situatie geheel afkeurde. Diezelfde middag begeleidde Coljer de busschieter, onder begeleiding van zijn vice-secretaris, een dragoman en twee Janitsaren, aan boord van één van de Franse schepen.
Hoewel de hoogopgelopen zaak uiteindelijk met een sisser afliep, had Coljer de nodige twijfels. De la Haye had immers kenbaar gemaakt dat alle Fransen in Constantinopel, ongeacht hun werkgever, uiteindelijk onder het ‘commando’ van de Franse ambassadeur vielen. Hij vreesde dat soortgelijke conflicten vaker de kop zouden opsteken en vroeg zodoende in zijn brief aan De Witt om advies over hoe hij zich in vergelijkbare situaties moest opstellen.
Tot slot gaf Coljer aan dat zijn brieven vaak lang onderweg waren naar de Republiek en via omwegen, zoals Marseille of Livorno, werden verzonden. Zo ontving De Witt slechts een handjevol brieven per jaar van hem.
Een late reactie
Dit was ook het geval met Coljers brief van 7 maart 1669 die hem via Marseille bereikte en die De Witt pas op 18 mei van dat jaar beantwoordde. De raadpensionaris had de gebeurtenissen voorgelegd aan de Staten-Generaal en zij concludeerden dat Coljer goed had gehandeld. Desondanks leek het hen niet verstandig om een algemene instructie op te stellen, omdat dergelijke conflicten zeer verschillend konden zijn. Als er zich iets voordeed, dan werd Coljer geacht ‘die op de beste manniere pro re nata te desmesleren […]’ ende uut de wege te leggen, daerontrent altijdts gebruijckende de meeste moderatie ende soo veel civiliteijt als het respect van des Staet sal connen lijden’.[iv]

Het is niet duidelijk of er andere conflicten zijn ontstaan tussen Coljer en De la Haye. Al in 1670 vertrok de Franse ambassadeur uit de hoofdstad van het Ottomaanse Rijk. Coljer, die zover wij weten niet meer in opspraak raakte, bleef er tot aan zijn dood in 1682.
Janneke Groen, 10 november 2024
[i] O. Schutte, Repertorium der Nederlandse vertegenwoordigers residerende in het buitenland, 1584-1810 (…) 302-303 en 307-308.
[ii] A.J. van der Aa, Biografisch woordenboek der Nederlanden. Deel 3. 639.
[iii] NA, 1.02.20, 1. Zie: https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/archief/1.02.20/invnr/1/file/NL-HaNA_1.02.20_1_0001.
[iv] NA, 3.01.17, 21. Brief van 18 mei 1669. Zie: https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/archief/3.01.17/invnr/21/file/NL-HaNA_3.01.17_21_0245.

