Ga naar inhoud
Johan de Witt
Menu
  • ANBI
    • Over Johandewitt.nl
    • Beleidsplan
    • Jaarverslagen
  • Blogs
  • Podcasts, audio en video
    • Johan de Witt en het Rampjaar (luisterboek)
    • De grand tour van Johan en Cornelis de Witt
    • Jaap over Johan
    • Kwadratuur van de cirkel
    • Nederlandse gezantenwoningen in Parijs
    • Vaderland en patriotten
    • Hoe klonk Johan de Witt?
    • Johan de Witt en het Rampjaar bij Golfbreker Radio
  • De Grand Tour van de gebroeders De Witt
    • Aflevering 1: Van Dordrecht via Le Havre naar Parijs (14 oktober – 7 november 1645)
    • Aflevering 2: Van Parijs naar Angers (7 november 1645 – 15 februari 1646)
    • Aflevering 3: van Angers naar Bordeaux (21 februari – 14 april 1646)
    • Aflevering 4: van Bordeaux naar La Grande Chartreuse (14 april – 7 september 1646)
    • Aflevering 5: van Chambéry naar Calais (8 september 1646 – 2 juni 1647)
    • Aflevering 6: Een kleine tour door Engeland (3 juni – 27 juli 1647)
    • De Petit Tour: In de voetsporen van de Gebroeders De Witt
  • Database
  • Minuten Johan de Witt
    • 1672
      • Minuten van de uitgaande brieven van Johan de Witt januari t/m juni 1672
      • Minuten van de uitgaande brieven van Johan de Witt aan Cornelis de Witt januari t/m juni 1672
      • Minuten van de uitgaande brieven van Johan de Witt aan Hiëronymus van Beverningk april t/m juni 1672
    • 1671
      • Januari
      • Februari
      • Maart
  • Kaarten
  • Publicaties
  • Links
  • Webshop
  • Contact
Menu

De Witt en de missende markies

Gepubliceerd op 26 juli 202526 juli 2025 door IH

In september 1669 kwam een einde aan een van de langste belegeringen in de geschiedenis. De stad Candia (het huidige Heraklion) op het Griekse eiland Kreta was 21 jaar lang (1648-1669) belegerd door de Ottomanen. Het eiland zelf was tot die tijd een kolonie van de Republiek van Venetië. Sinds 1645 hadden Ottomaanse troepen hier voet aan wal gekregen en was Kreta stukje bij beetje veroverd, totdat Candia als laatste bastion overbleef. Om de Venetianen te ondersteunen stuurde de Franse koning Lodewijk XIV in juni 1669 schepen en militairen naar de stad. Kort na hun aankomst ondernam Philippe de Montaut-Bénac, hertog van Navailles, een expeditie om de vijand te verdrijven. Het liep echter uit op een mislukking. Honderden Fransen kwamen om het leven, waaronder François de Vendôme, hertog van Beaufort. Van velen werd niets meer vernomen. Al in augustus besloot De Navailles om het merendeel van de Franse troepen terug te trekken.[i] Niet lang daarna, in september, volgde de vredesbepaling tussen de Republiek van Venetië en het Ottomaanse rijk, waarbij het hele eiland Kreta aan de Ottomanen werd overgedragen.

 François de Bourbon, duc de Beaufort, Jean Nocret, voor 1649, Wikimedia Commons.

Het nieuws over de Franse expeditie en de daaropvolgende vredesafspraken bereikte in november de Republiek, en dus ook raadpensionaris De Witt. Hij had vernomen dat de hertog van Beaufort was gesneuveld, en dat Louis, markies van Fabert en gouverneur van Sedan, door de Ottomanen gevangen was genomen. Volgens de laatste berichten was hij overgebracht naar het Griekse eiland Chios, maar nadere informatie ontbrak. Enkele vrienden van De Fabert hadden De Witt benaderd met het verzoek te achterhalen wat er met hem was gebeurd. De raadpensionaris schreef daarop aan de vertegenwoordigers van de Republiek in het Ottomaanse Rijk – resident Justinus Coljer in Constantinopel en consul Jacob van Dam in Smirna – dat hij dit verzoek had opgepakt ‘uit een Christelijke beweging, die de ene Christen jegens de andere in zulke gevallen moet, of althans behoort te hebben’. In een begeleidende brief vroeg hij hen na te gaan waar De Fabert zich bevond en hoe hij door de Ottomanen werd behandeld.

Brief van De Witt aan Coljer en Van Dam van 12 november 1669. Nationaal Archief, 3.01.17, 21.

Daarnaast wilde De Witt weten of de vrede tussen de Ottomaanse sultan en de Republiek van Venetië gevolgen zou hebben voor de eventuele vrijlating van de markies. Het was van belang dat De Fabert op een zo gunstig mogelijke manier werd vrijgelaten en in de tussentijd correct werd behandeld. Voor het geval iemand zich ten onrechte als de markies zou uitgeven, voegde De Witt een persoonsbeschrijving toe:

een persoon van een lange ende avantageuse taille, fraeij doch een weijnich lang van aengesicht, bruijn ende wacker van oogen, een weijnich hooch van neus, bruijn ende lang van hair, ende ontrent negenthien jaeren oudt, sijnde voorts in alles een wel gemaeckt man.

In februari ontving consul Jacob van Dam de missive van De Witt, waarop hij direct actie ondernam door een brief te sturen aan een ‘seker persoon van kennisse’ die op Chios woonde. Deze liet Van Dam weten dat hij dacht dat de markies al tijdens het beleg van Candia om het leven was gekomen. In ieder geval was De Fabert niet op het eiland gezien. Van Dam was om twee redenen teleurgesteld dat hij De Witt niet een ‘favorabelder notificatie’ had kunnen geven. Aan de ene kant omdat de consul ‘grote passie’ had om gevangenen in nood te helpen ‘als of ick selfs gevangen was’, en vooral voor een heer van ‘soodanigen extractie en qualiteijt’ als De Fabert. Aan de andere kant voelde hij zich vereerd dat De Witt hem met deze taak had belast, en hoopte hij dat een gunstig antwoord hem in een goed daglicht bij de raadpensionaris zou stellen.

Brief van Jacob van Dam aan De Witt van 4 maart 1670. Nationaal Archief. 3.01.17, 924.

Resident Coljer gaf de moed niet meteen op. Ook hij ontving aan het begin van 1670, op 23 februari, de brief van De Witt en ging direct aan het werk. In eerste instantie deed hij navraag bij de ‘Beijs’ of hoofdmannen van binnenkomende galeien, maar dat leverde geen resultaat op. Vervolgens nam Coljer contact op met de consul van Chios, die op dat moment in Constantinopel verbleef, en verzocht hem om een instructie te sturen aan zijn viceconsul. Die kreeg de opdracht om bij binnenkomende schepen te informeren of er iets over de markies bekend was. Als dat niets opleverde, moest de viceconsul naar Candia afreizen om daar naar De Fabert te zoeken.

Vijf dagen later bracht Coljer De Witt op de hoogte van de stand van zaken. In ieder geval zou de resident niet rusten voordat hij aan het verzoek van de raadpensionaris had voldaan. Hij hoopte dat hij ‘dien heere van de sware ongemacken ende Periculen der Slavernie haest te sullen verlossen (…).’ Tot op dat moment hadden het Ottomaanse Rijk en de Republiek van Venetië nog geen krijgsgevangenen uitgewisseld. Wel gingen er geruchten dat zich aan het Ottomaanse hof twee Franse heren bevonden die tijdens de expeditie gevangen waren genomen. Een van hen zou zich tot de islam hebben bekeerd, terwijl de ander zijn geloof trouw was gebleven. Coljer sprak de hoop uit dat het hier niet om De Fabert ging, aangezien hun vrijlating waarschijnlijk een aanzienlijk losgeld zou vergen.

Gezicht op de stad Chios op het gelijknamige eiland, Jan Luycken, ca. 1698, Rijksmuseum.

Eind maart liet de resident weten dat de consul van Chios hem had geschreven met goed nieuws: de markies zou nog in leven zijn. Hij zou zich bevinden op een galeischip, opgesloten in een nauwe en afgezonderde ruimte, gescheiden van de andere gevangenen en slaven. De Fabert had zich aanvankelijk voorgedaan als Nederlander, maar de Ottomanen hadden al snel door dat het om een vooraanstaande Fransman ging. De consul had deze informatie verkregen via een kapucijner monnik die onlangs in Constantinopel was aangekomen. Van de viceconsul van Chios was op dat moment nog geen bericht ontvangen. Desondanks besloot Coljer de zoektocht naar De Fabert voort te zetten. De Franse ambassadeur vond dit ‘verloren moijte’, aangezien hij had vernomen dat De Fabert al tijdens het beleg van Candia zou zijn gesneuveld. Coljer schonk daar weinig aandacht aan, omdat deze bewering enkel gebaseerd was op ongefundeerde geruchten. Opnieuw verzekerde hij De Witt dat hij zou doorgaan met zijn zoektocht, totdat hij met zekerheid kon melden of de markies was overleden, dan wel nog leefde en mogelijk kon worden vrijgelaten.

Het verlossende woord kwam op 18 juli 1670. Coljer schreef dat hij zijn onderzoek op alle mogelijke manieren had voortgezet. Op basis van brieven uit Candia en Chios en verklaringen van gevangenen die naar Constantinopel waren gebracht, concludeerde de resident dat Louis de Fabert was omgekomen tijdens de betreffende confrontatie, samen met de hertog van Beaufort. Net als Van Dam had ook Coljer gehoopt op beter nieuws, ‘so ten respecte van de Christelijcke liefde, die men sijn Evennaesten schuldich is, als mede ter Consideratie, dat ick seer guaren [Uw Edele] oochmerck daar ontrent met effect hadde bereijckt.’

Fragment van de brief van Justinus Coljer aan Johan de Witt van 18 juli 1670. Nationaal Archief, 3.01.17, 913.

Van de overige krijgsgevangenen was inmiddels ook bekend wat hen was overkomen. Een groot deel van hen was overgebracht naar de koninklijke barges, slavenhuizen of andere galeien. Enkele hooggeplaatste personen vormden hierop een uitzondering en verbleven in de vesting Yedikule, door Coljer aangeduid als de Zeven Torens. Het betrof onder anderen de graaf van Sabijn uit Dalmatië (60 jaar oud), monsieur Lescase, sergeant-majoor van het Provençaalse regiment (58 of 59 jaar oud), en monsieur St. Remij, een Franse edelman uit Bretagne (30 jaar). De Venetiaanse ambassadeur, die eveneens in Constantinopel was aangekomen, had Coljer laten weten goede hoop te hebben op een spoedige vrijlating van deze gevangenen. Voor de jonge markies De Fabert gold dat helaas niet.

Het kasteel met de zeven torens (Yedikule), ca. 1660, Wikimedia Commons.

Deze correspondentie bewijst maar weer hoezeer De Witt zich liet informeren over alles wat zich afspeelde op het internationale toneel, ook al had het niet direct betrekking op de belangen van de Republiek of zijn eigen diplomatieke portefeuille. Het toont zijn scherpe gevoel voor Europese verhoudingen, zijn persoonlijke betrokkenheid bij humanitaire kwesties én zijn besef dat zelfs ogenschijnlijk perifere gebeurtenissen politieke gevolgen konden hebben.

Janneke Groen, 26 juli 2025


[i] N.D. Mason, The War of Candia, 1645-1669 (1972) 227-235.

 

Op de hoogte blijven? Meld u aan voor de Johan de Witt nieuwsbrief:

Recente berichten

  • De pest van 1664: tussen resolutie en familiebrief
  • Geen sinaasappels voor De Witt
  • Johan de Witt en Cosimo III de’ Medici: diplomatie in brieven (1668–1669)
  • Andijvie, aberdaan en administratie. Johan de Witt aan boord van de Seven Provinciën
  • Zoete pastei voor Tante Trip
  • Tot diep in de nacht: de werkuren van Johan de Witt
  • Johan de Witt in het Waterlands Archief
  • Liefde, ijs en een teruggestuurde mand
  • Wafels voor een weddenschap (mei 1671)
  • Zelfs geen druiven: Onomkoopbaarheid in de 17e-eeuwse diplomatie

Archieven

  • mei 2026
  • april 2026
  • maart 2026
  • februari 2026
  • januari 2026
  • december 2025
  • november 2025
  • september 2025
  • augustus 2025
  • juli 2025
  • juni 2025
  • mei 2025
  • april 2025
  • maart 2025
  • februari 2025
  • november 2024
  • oktober 2024
  • september 2024
  • augustus 2024
  • juli 2024
  • maart 2024
  • februari 2024
  • januari 2024
  • oktober 2023
  • augustus 2023
  • mei 2023
  • maart 2023
  • januari 2023
  • november 2022
  • augustus 2022
  • juni 2022
  • april 2022
  • maart 2022
  • februari 2022
  • januari 2022
  • december 2021
  • november 2021
  • augustus 2021
  • juli 2021
  • februari 2021
  • januari 2021
  • december 2020
  • november 2020
  • oktober 2020
  • september 2020
  • augustus 2020
  • juli 2020
  • juni 2020
  • mei 2020
  • april 2020
  • maart 2020
  • februari 2020
  • januari 2020
  • december 2019
  • oktober 2019
  • september 2019
  • augustus 2019
  • juni 2019
  • april 2019
  • februari 2019
  • december 2018
  • augustus 2018
  • juli 2018
  • juni 2018
  • mei 2018
  • april 2018
  • maart 2018

Categorieën

  • Blogs