Tamarah de Groot, studente Cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit, voerde in het kader van haar stage bij het Johan de Witt-project onderzoek uit naar diplomatieke conflicten rond Nederlandse scheepsrampen in de zeventiende eeuw. In haar blog doet zij verslag van haar bevindingen aan de hand van een sprekende casus: de schipbreuk van het VOC-schip het Wapen van Vlissingen en de nasleep daarvan.
Scheepswrakken hebben iets mysterieus. Ze zijn een stukje geschiedenis die als stille getuigen op de bodem van de zee liggen te wachten. Soms geven ze iets van hun geheimen prijs, zoals in 2004 toen het VOC-schip De Rooswijk bij toeval door een amateurduiker werd ontdekt. Er is ook een minder ‘romantische’ kant: een schip dat verging voor de kust van een ander land kon leiden tot een diplomatiek conflict. Schepen vervoerden immers zeer waardevolle ladingen die geborgen moesten worden. Over wie dan de rechtmatige eigenaar was, werd flink gediscussieerd. Toen de Engelse koning Karel II zich na de berging van het gestrande schip Wapen van Vlissingen niet aan zijn beloften hield, barstte een gefrustreerde Johan de Witt in Den Haag uit: ‘Zoals de Engelsen ons nu behandelen, zo behandelen wij hen voortaan ook!’. Wat was hier precies aan de hand? En wat zegt dit over de relatie tussen Engeland en de Republiek op dat moment?
Het Wapen van Vlissingen
Het Wapen van Vlissingen was een schip dat in 1667 werd gebouwd op de Middelburgse scheepswerf in opdracht van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Het voltooide zijn eerste succesvolle reis naar Batavia tussen 26 december 1667 en 1 juli 1670.[1] Daarna lag het enkele maanden op de rede van Wielingen, bij Zeeland, om proviand en uitrusting aan te vullen voor zijn volgende tocht. Op 23 november 1670 vertrok het schip opnieuw, met 130 bemanningsleden richting het Kanaal.[2] Deze reis kreeg echter een abrupt einde toen het drie dagen later, op 26 november, in een zware storm terechtkwam. Tijdens deze storm liep het schip vast op de Goodwin Sands – een beruchte zandbank voor de Engelse kust bij Kent die tegenwoordig model staat voor menig spookverhaal.[3]
De storm van 26 november 1670
De gebeurtenissen rond het vergaan van het Wapen van Vlissingen zijn gedetailleerd beschreven in een verslag van de Nederlandse ambassadeurs in Londen, Johan Boreel en Coenraad van Beuningen, gericht aan de Staten-Generaal op 29 november 1670.[4] Zij beschrijven hierin hoe het schip op 26 november rond twee uur ‘s nachts vastliep op de Goodwin Sands. Hoewel de volledige bemanning de storm overleefde, lukte het niet in om het schip vlot te krijgen. De ambassadeurs werden hierover op de hoogte gesteld. Zij richtten zich direct tot koning Karel II van Engeland en diens broer, Jacobus (James) Stuart, de hertog van York.
Soo hebben wij van ons devoir geaght ons aanstonds daar over aan den Coningh, ende de Heer Hertogh van York te adresseeren, ende soo mondelingh, als bij schriftelijke memorie te verzoeken, dat door tusschen komste van den Gouverneur van Dovres alle desordres, die in dusdanige gelegentheyt te appprehendeeren zijn, zouden mogen werden geweert, de luyden van ’t schip in ’t bergen van de goederen ende andersints tot een redelijk loon zouden mogen werden gedient, ende dat de geberghde goederen in handen van de luyden van de compagnie in verzeekerheyt zouden mogen werden gelaaten, zijne majesteit en koninglijke hoogheit hebben beyde de goedheit gehadt van ons dit in te willigen.
Wij achtten het onze plicht om ons onmiddellijk tot de koning en de hertog van York te wenden. Zowel mondeling als in een schriftelijke memorie verzochten wij dat, door tussenkomst van de gouverneur van Dover, alle wanorde die in zo’n situatie te vrezen valt, voorkomen zou worden. Ook vroegen wij dat de opvarenden van het schip bij de berging van de goederen en andere zaken naar redelijkheid beloond zouden worden, en dat de geborgen goederen veilig aan de vertegenwoordigers van de Compagnie zouden worden overgedragen. Zowel Zijne Majesteit als Zijne Koninklijke Hoogheid hadden de goedheid ons verzoek in te willigen.
Boreel en Van Beuningen drongen aan op interventie door de gouverneur van Dover om om een ordentelijke berging van de lading te waarborgen. Het schip lag immers dicht bij de kust en daardoor kwetsbaar voor plundering. Aan het hof benadrukten de ambassadeurs dat de Engelse helpers op een ‘redelijke vergoeding’ mochten rekenen, maar dat de lading onverminderd eigendom van de VOC was én bleef. De Engelse vorst en zijn broer stemden direct in met het verzoek. Op 29 november vertrok de gouverneur van Dover, die zich toevallig aan het hof bevond, naar de rampplek. Tegelijkertijd stuurden Boreel en Van Beuningen een eigen gezant om de bemanning te informeren over de afspraken.

Een kapitein met ijdele hoop
Ondertussen probeerden de ambassadeurs contact te leggen met kapitein Le Sage, die zich met een Nederlands oorlogschip in de buurt van de rampplek bevond. Door de extreme weersomstandigheden kon hij echter geen assistentie verlenen. De aanhoudende storm had het Wapen van Vlissingen op 27 november doen scheuren, waardoor slechts acht kisten met geld en enkele pakketten konden worden geborgen. De situatie aan boord werd nijpend: de kapitein, de koopman en ongeveer vijftig bemanningsleden – die aan boord waren gebleven – verkeerden in levensgevaar. Er werd zelfs getwijfeld of zij nog gered konden worden.
Uit de berichtgeving van Boreel en Van Beuningen blijkt dat er méér gered had kunnen worden, maar dat de kapitein lang de hoop had gehouden dat hij het schip vlot kon trekken. Hij weigerde daarbij alle hulp van Engelse redders, die in grote getale waren toegestroomd. Ondertussen werd de geborgen lading in beslag genomen door de Engelse Admiraliteit, die de goederen naar Londen liet overbrengen. De ambassadeurs schreven dat ze hoopten via koning Karel II de goederen te kunnen terugvorderen, maar troffen tot hun verrassing alleen Willem III, de prins van Oranje, aan.

De loze beloften van de Engelse koning
Uit de notulen van de Staten-Generaal van 18 december 1670 blijkt dat de beloften van de Engelse autoriteiten over de teruggave van VOC-goederen niet werden nagekomen.[5] Boreel en Van Beuningen meldden dat de geborgen lading – ondanks eerdere toezeggingen van de Engelse koning – nog altijd niet was teruggegeven. In plaats daarvan hadden de Engelsen via een spoedrechtelijke procedure besloten de goederen te verkopen. De opbrengst zou worden verdeeld onder de bergers, de Admiraliteit en de lokale autoriteiten. Boreel en Van Beuningen hadden protest aangetekend bij de Engelse leiders, maar die verdedigden het besluit. Volgens hen was de procedure ‘correct’ verlopen en de Hollanders hadden ‘geen gegronde klachten’. De Staten-Generaal bedankte de ambassadeurs voor hun inzet tot nu toe, maar drong ook aan op verdere actie. Zij veroordeelden het onrechtmatige karakter van de Engelse beslissing en vroegen de ambassadeurs te blijven aandringen op volledige teruggave van de geborgen lading. Daarbij moest worden gegarandeerd dat de bergers een ‘billijke vergoeding’ ontvingen, zonder dat dit ten koste ging van de Nederlandse eigendomsrechten.

Brief van Johan de Witt aan ambassadeur Boreel gedateerd 19 december 1670, Nationaal Archief, Archief van Johan de Witt, 3.01.17, 22.
‘Daeruijt met groote verwonderinge bespeurt de onhebbelijckheijdt van de proceduren tot Dovre’
Johan de Witt reageerde fel op de Engelse weigering om goederen terug te geven.[6] Hij verwonderde zich over ‘onhebbelickheijdt van de proceduren’: hij vond het onbeschoft dat de Engelsen op eigen houtje hadden besloten zich de goederen toe te eigenen en te verkopen. In een brief van 19 december 1670 aan de ambassadeurs Boreel en Van Beuningen in Londen liet hij duidelijk merken dat hij dit niet zou laten passeren. Hij formuleerde hij een dreigement van wederkerigheid:
… dat alle Engelsche schepen comende te verongelucken op eenige bancken gelegen aende custe ofte voorde zeegaeten van dese landen even op deselve wijse getracteert sullen werden als aldaer in simili casu werdt geobserveert, ende dat oock alle de Engelsche schepen aen den oever van deser Staet comende te stranden getracteert sullen werden op de selve voet ende maniere als aldaer, in simili casu, tegens de Nederlandtse gepractiseert wordt…
… dat alle Engelse schepen die zouden vergaan op zandbanken voor de kust of bij de zeegaten van deze landen voortaan op precies dezelfde wijze behandeld zullen worden als men daar [in Engeland] in soortgelijke gevallen pleegt te doen. En dat ook alle Engelse schepen die stranden aan de oevers van deze Republiek op gelijke voet en op dezelfde manier zullen worden behandeld als men daar in soortgelijke gevallen jegens de Nederlanders heeft gehandeld …
Met andere woorden: een gefrustreerde De Witt stelde voor om Engelse schepen die in Nederlandse wateren zouden stranden, voortaan net zo te behandelen als de Republiek nu in Engeland werd behandeld – inclusief het confisqueren van lading. Boreel en Van Beuningen reageerden in brief echter kritisch op dit voorstel.[7] Zij benadrukten dat een dreigement van wederkerigheid niets zou oplossen. Het werkelijke probleem zat hem in het schenden van een eerder gedane belofte, maar – zo voegden zij er aan toe – strikt genomen hadden de Engelsen niets ‘illegaals’ gedaan.
Wat je vindt, mag je houden! Of toch niet…?
Om het conflict rond de lading van het Wapen van Vlissingen beter te begrijpen, is enige kennis van de gebruiken rond scheepswrakken onmisbaar. Sinds de vroege Middeleeuwen gold de ongeschreven regel dat alles wat uit een scheepswrak werd borgen – geld, goederen, onderdelen van het schip én zelfs de nog in leven zijnde bemanning – mocht worden opgeëist door de inwoners van het gebied waar het schip was gestrand of door degene die daar het gezag voerde.[8] Dit is mogelijk ontstaan uit het geloof dat een schip dat in de problemen raakte, een straf van God onderging. Wat God afnam, werd daarmee vrij spel voor anderen. Dit werd aangeduid als jus naufragii genoemd: het zogenaamde strandrecht.[9]

Het strandrecht was gebaseerd op een oud gebruik dat lang niet overal hetzelfde werd toegepast en doorgaans niet in formele wetgeving was vastgelegd. In de loop van de tijd verschenen er steeds meer lokale ordonnanties die eigendomsrechten van schippers beschermden en er werden vaker pogingen gedaan om het strandrecht in te perken. Zo sloten Engeland en de Republiek op 17 september 1625 het Verdrag van Southampton, waarin onder andere een clausule was opgenomen die bepaalde dat de eigenaren van goederen uit scheepswrakken een jaar de tijd kregen om hun goederen terug te vorderen.[10] Dat verdrag liep tot 1640. In de praktijk ging het terugvorderen van goederen vaak gepaard met een vergoeding voor degenen die hielpen bij de berging. Die vergoeding bedroeg meestal een percentage van de waarde van de lading, afhankelijk van het risico en de geleverde inspanning. Soms werd dit bedrag aangevuld met extra vergoedingen voor de lokale Admiraliteit of voor gemaakte onkosten.
Duidelijke internationale afspraken bestonden niet. Afspraken liepen via incomplete, soms tijdelijke verdragen tussen landen. Oude gebruiken, zoals het strandrecht, bleven nog lang onder de bevolking voortleven. Bij onenigheid besliste in eerste instantie bij de lokale autoriteit. Ontstond daaruit een conflict, dan werd dit diplomatiek of via machtsvertoon uitgevochten. Hoe met een scheepswrak werd omgegaan, hing bovendien sterk af van de context waarin het schip verging en de relatie tussen de betrokken landen op dat moment.

De Nederlandse aanval op de Medway (1667), Anoniem, Rijksmuseum Amsterdam.
Treitering of wraak?
Johan de Witt betoogde min of meer dat de Engelse koning het internationaal recht had geschonden door de lading niet terug te geven toen hierom gevraagd werd. Mogelijk verwees hij hiermee naar de eerdere afspraak tussen beide landen dat goederen uit scheepswrakken moesten worden teruggegeven als de rechtmatige eigenaar zich binnen een jaar meldde. Maar die afspraak – vastgelegd in het Verdrag van Southampton – was inmiddels verlopen, en van een concreet, bindend verdrag was geen sprake meer. Het ‘recht’ werd bovendien door elk land anders geïnterpreteerd. Dit zou kunnen verklaren waarom Boreel en Van Beuningen van mening waren dat Johan de Witts dreigementen weinig effect zouden hebben.
De Witts frustratie is echter wel begrijpelijk. Waarom zou de Engelse koning eerst iets beloven en er vervolgens niets mee doen? Het voedde het wantrouwen dat in de Republiek leefde tegen Engeland. Misschien was dat ook precies wat Karel II beoogde. Enkele maanden eerder had hij immers in het geheim een verdrag gesloten met koning Lodewijk XIV van Frankrijk. Historici hebben uiteenlopende motieven geopperd voor de keuze van Karel II om dit Verdrag van Dover te tekenen. Een van de verklaringen is dat het ging om een wraakactie voor het vernederende verlies dat de Engelsen leden bij Chatham in 1667.[11] Tegen die achtergrond kan de weigering om de goederen uit het Wapen van Vlissingen terug te geven, worden gezien als een bewuste poging om de Republiek te treiteren – of als vergelding voor de verloren Engelse schepen op de Medway.
Boreel en Van Beuningen zetten hun diplomatieke missie voort. Op 2 januari 1671 schreef Johan de Witt hen opnieuw een brief, na ontvangst van een nieuw bericht uit Engeland.[12] Hij wachtte met smart op de definitieve uitkomst, maar wees wederom op de mogelijkheid van retorsie: een vergeldingsmaatregel in reactie op een handeling van een ander land die als onrechtvaardig wordt beschouwd. Uiteindelijk maakte het niet veel uit. Ruim een jaar later, in maart 1672, verklaarde Engeland de Republiek de oorlog. Het Wapen van Vlissingen en haar verder lading zijn nooit teruggevonden. Of het schip zijn geheimen ooit zal vrijgeven? De tijd zal het leren.
Tamarah de Groot, 12 juni 2025
Bronnen
[1] Huygens Instituut, The Dutch East India Company’s shipping between the Netherlands and Asia 1595-1795, reis 1175.2.
[2] Nationaal Archief, archief 1.11.01.01, inventarisnummer 551.
[3] Welford, John, Ghostly Happenings on the Goodwin Sands, Medium, 29 april 2023. https://medium.com/@johnwelford15/ghostly-happenings-on-the-goodwin-sands-f2155d5e1848, laatst geraadpleegd 17-5-2025.
[4] Nationaal Archief, archief 1.01.02, inventarisnummer 1431.
[5] Ibidem.
[6] Nationaal Archief, archief 3.01.17, inventarisnummer 22.
[7] Nationaal Archief, archief 1.10.10, inventarisnummer 78c.
[8] Sicking, Louis en Jan de Klerk, ‘The Law of Wreck in Flanders, Holland and Zeeland in the Late Middle Ages’, Communities, Environment and Regulation in the Premodern World 20 (2022) 201–232, aldaar 205.
[9] ‘Jus Naufragii’, Wikipedia. https://en.wikipedia.org/wiki/Jus_naufragii, laatst geraadpleegd 16-5-2025.
[10] Brozius, John R., ‘De Faem, een Hoornse Zouthaler gestrand voor de Engelse Kust’, Kwartaalblad Oud-Hoorn 4 (2017) 186.
[11] R. Hutton, ‘The Making of the Secret Treaty of Dover, 1668-1670’, The Historical Journal 29:2 (1986) 297-318, aldaar 297.
[12] Nationaal Archief, archief 3.01.17, inventarisnummer 22.

