Op 4 september 1660 stuurde de Engelse koning Karel Stuart II Johan de Witt een eigenhandig briefje waarin hij schreef dat zijn dienaar O’Neill zijn boodschap mondeling zou overbrengen. Gelukkig voor ons noteerde De Witt achterop de brief welke vijf punten O’Neill met hem moest bespreken. De brief én deze vijf punten zijn volledig opgenomen in de bundel Johan de Witt en Engeland,1 maar over punt vijf weten we inmiddels wat meer. Er dook in De Witts archief namelijk een conceptbrief op aan Karel Stuart in het handschrift van Abraham de Wicquefort met verbeteringen in het handschrift van Johan de Witt zelf. De Wicquefort stond erom bekend dat hij de Franstalige brieven van De Witt opstelde. Dankzij de bewaard gebleven kladversies zien we hoe De Witt zulke teksten vaak flink aanpaste.

De eerstgenoemde brief van Karel is bijzonder. Hij was nog maar net, in mei 1660, gerestaureerd als koning van Engeland, Schotland en Ierland na jaren van ballingschap op het vasteland van Europa. Tijdens die periode hield De Witt hem liever op afstand: een verbannen koning bracht vooral kosten en risico’s met zich mee, terwijl de Republiek in die jaren juist praktische en economische banden onderhield met het Cromwell-bewind in Engeland. Maar nu Karel weer stevig op de troon zat, kon De Witt hem niet negeren. Voor de Republiek bleef een goede relatie met Engeland van groot belang: er viel dus wat goed te maken. Tegelijk woonde Karels zus Mary Stuart, de weduwe van Willem II en moeder van Willem III, nog altijd in Den Haag, waar zij streed voor de positie van haar zoon.

De vijf mondelinge boodschappen die O’Neill namens de koning doorgaf, laten goed zien waar het Karel om te doen was: hij vroeg de Staten van Holland om een enorme lening van twee miljoen gulden, wilde de uitlevering van enkele regicides (de moordenaars van zijn vader Karel I), informeerde naar de positie van zijn neefje Willem III, klaagde over Hollandse kapers in Spaanse dienst, en gaf tenslotte een brief mee – ook 4 september 1660 gedateerd – over het vertrek van zijn zus Mary naar Engeland, punt vijf van de bespreking.


Vrij vertaald luidt deze slecht leesbare brief van Karel Stuart II van 4 september 1660 aan de Staten van Holland en West-Friesland:
Hoogmogende heren, onze goede vrienden, bondgenoten en confederés,
In het verlangen dat wij koesteren om de Princes Royaal, onze zuster, in dit land te zien, zenden wij de heer O’Neile, een van onze dienaren, om haar daartoe uit te nodigen. Tegelijkertijd willen wij u verzoeken hem bij te staan in alles wat nodig zal zijn voor het genoemde inschepen en de reis, en hem te blijven betuigen dat hij op uw vriendschap kan rekenen, telkens wanneer het om haar belangen zal gaan, opdat haar afwezigheid geen nadeel zal toebrengen aan haar zaken, noch aan die van de Prins, haar zoon.
Wij zullen erop bedacht zijn u de weldaad die u ons hierin bewijst te erkennen, en u bij alle gelegenheden te tonen welke dankbaarheid ons daarvan zal bijblijven. Daarom bidden wij God, Hoogmogende heren, dat Hij u in Zijn heilige bescherming wil houden.
Geschreven te Whitehall, de 4e september 1660, in het twaalfde jaar van ons bewind.2
Uw zeer goede vriend,
Charles R
Het antwoord van De Witt voor de Staten van Holland laat goed zien hoe zijn brief tot stand kwam. In de door Wicquefort opgestelde concepttekst stond de gebruikelijke hofstijl vol vleierij, maar De Witt corrigeerde dat. Hij schrapte de overdrijvingen en persoonlijke toewijding en zette de belangen van de Staat centraal – een fraai voorbeeld van zijn diplomatieke stijl. Wie de afbeelding van de conceptbrief erbij neemt, ziet in één oogopslag hoe De Witt de pen van een ander omvormde tot zijn eigen stem. De lange doorgestreepte passage van De Wicquefort verving hij door een eigen tekst met een radicaal andere toon. Waar Wicquefort nog schreef dat de Staten uit welwillendheid en genegenheid voor de koning handelden, maakte De Witt duidelijk dat zij in de eerste plaats verplicht waren aan de Staat, vervolgens aan de belangen van Mary en Willem, en dat alleen de belangen van de Koning en zijn kroon daar nog boven stonden. Zo boog hij de hofstijl van vleierij om naar de taal van staatsbelang.


Vrij vertaald luidt deze brief (zonder doorhalingen en toevoegingen):
Sire,
Wij hopen dat Uwe Majesteit evenzeer tevreden zal zijn dat wij zijn wensen al vóór de ontvangst van zijn brief van 4/14 september hebben vervuld, als wij genoegen zouden hebben geschept in het opvolgen van zijn aanbeveling daarin. Nog voordat wij die brief ontvingen, hadden wij al de nodige maatregelen genomen om het vertrek en de reis van de Prinses Royale zo gemakkelijk mogelijk te maken. We hebben de zaken zó geregeld dat Hare Koninklijke Hoogheid Uwe Majesteit kan verzekeren dat zij niet zal vertrekken voordat zij zeker weet dat haar afwezigheid geen schade zal toebrengen aan haar eigen belangen, noch aan die van de Prins van Oranje, haar zoon.
Uwe Majesteit kan zich ervan verzekeren dat er, na hetgeen wij aan de Staat verschuldigd zijn, niets in de wereld is dat ons zo dierbaar is en ons sterker raakt dan hún belangen; behalve de belangen van Uwe Majesteit en van zijn kroon, waarvan wij niet zullen nalaten bij alle gelegenheden blijk te geven.
Wij bidden God, Sire, dat Hij Uwe Majesteit en zijn regering wil zegenen en bewaren in voortdurende voorspoed, nog vele jaren lang. Sire, etc.
Mary vertrok op 29 september 1660 naar Engeland om haar familie terug te zien, maar hoorde op de dag van vertrek dat haar broer Henry aan de pokken was overleden. Zelf stierf zij in december van datzelfde jaar.
Ineke Huysman, 23 augustus 2025
- Huysman en Peeters, Johan de Witt en Engeland (2018) 76-83. ↩︎
- Karel II werd in mei 1660 gerestaureerd op de Engelse troon, maar hij rekende zijn regeerperiode al vanaf de terechtstelling van zijn vader Karel I op 30 januari 1649. Daarom dateren zijn brieven in 1660 uit ‘het twaalfde jaar van ons bewind’. ↩︎

