Dat de Franse koning Lodewijk XIV tevergeefs heeft geprobeerd Johan de Witt om te kopen met een jaarlijks bedrag van 20.000 tot 25.000 ecu’s, is alom bekend.1 Maar dat ook de Spaanse koning Filips IV eerder een poging deed, is pas nu aan het licht gekomen. Dankzij een conceptbrief van raadpensionaris Johan de Witt, aangetroffen tussen zijn losse aantekeningen die worden bewaard op het Nationaal Archief, weten we daar nu meer over. Opmerkelijk is dat we door dit stuk vooral ook inzicht krijgen in hoe De Witt daar zélf over dacht.
Om zijn integriteit veilig te stellen en elke verdenking voor te zijn, schreef De Witt in 1661 een brief over deze poging tot omkoping door Esteban de Gamarra y Contreras, Spaans ambassadeur in de Nederlandse Republiek. Die had hem in juni 1658, namens koning Filips IV van Spanje, via zijn secretaris Vincent Richard een bedrag van 25.000 francs aangeboden, met vooruitzicht op meer. Dat aanbod kwam in een cruciale fase van de Frans-Spaanse Oorlog. De Witt schreef de brief van zes kantjes zelf, in het Frans. Hieronder volgt een vrije vertaling.
’s‑Gravenhage, maart 1661
Mijnheer,
Graag had ik voorkomen dat ik Uwe Excellentie moest lastigvallen in uw belangrijke en drukke werkzaamheden. Daarom heb ik gewacht zolang er nog enige hoop bestond dat men mij zou geven wat mij beloofd was — en ik het dus verder kon laten rusten. Maar inmiddels zijn er meer dan twee jaar verstreken sinds de heer ambassadeur Gamarra mij een voorstel deed, waaruit bleek dat hij een minder gunstige indruk van mij had dan ik had gehoopt, en dan ik op grond van mijn gedrag en levenswijze had mogen verwachten. Aangezien hij daarbij verklaarde dat hij handelde op bevel van zijn koning én van Uwe Excellentie, heb ik hem destijds met aandrang verzocht u de ware toedracht te berichten. Ik vroeg hem uitdrukkelijk u ervan op de hoogte te stellen hoezeer ik mij niet herkende in de houding die hij mij toedichtte, en mij vervolgens ook bewijs te overhandigen dat hij mijn verzoek had uitgevoerd en dat Uwe Excellentie volledig geïnformeerd was over mijn integriteit.
Aangezien ik tot op heden niets van dien aard ontvangen heb, zie ik mij — tegen mijn zin — genoodzaakt om u zelf deze kwestie in detail voor te leggen, ter wille van mijn eer en ter rechtvaardiging van mijn naam.
Het gebeurde in juni 1658. De genoemde ambassadeur bracht mij een beleefdheidsbezoek, waarbij hij mij bedankte voor mijn eerdere bijdrage aan het tot stand komen van de vrede tussen Zijne Katholieke Majesteit en deze Republiek. Vervolgens liet hij mij, via zijn secretaris de heer Richard, een aanbod doen namens de koning. Hij wilde mij een wissel of betalingsbewijs overhandigen van vijfentwintigduizend francs, te innen bij wijlen Jean Coymans, koopman te Amsterdam. Hij voegde eraan toe dat hij binnen afzienbare tijd nog eenzelfde bedrag verwachtte, dat hij mij eveneens zou aanbieden.
Deze gang van zaken heeft mij zeer bevreemd. Ik ben altijd van mening geweest dat een eerlijk man zich nooit mag inlaten met dit soort voorstellen, zonder zijn geweten geweld aan te doen en zijn vaderland te schaden. Ik verzoek Uwe Excellentie dan ook mij te willen geloven wanneer ik zeg dat ik dit soort praktijken altijd met minachting en afkeer heb bekeken, dat ik zulke zwakheden ook in mijn naasten niet kan dulden, en dat ik mij er zelf onder geen beding toe zou verlagen.
Wat betreft het voorwendsel dat werd aangevoerd — namelijk dat dit aanbod verband hield met mijn vermeende bijdrage aan de vrede — verzeker ik Uwe Excellentie bij dezen: hoe gering en onbekwaam ik mijzelf ook achtte om in die aangelegenheid werkelijk iets te betekenen, mijn inzet en bereidwilligheid zijn altijd oprecht geweest. Niet uit eigenbelang, maar uitsluitend uit de overtuiging dat vrede in het belang van mijn vaderland was.
Het is ook die overtuiging die mij ertoe brengt te blijven hopen op het voortbestaan van die vrede, en op een blijvend goede verstandhouding tussen Zijne Majesteit en deze Staat. Ik heb daar nooit aan bijgedragen uit winstbejag, en zal ook in de toekomst niet nalaten anderen daartoe aan te sporen, waar ik meen dat zij er iets in kunnen betekenen — en zelf zal ik er altijd naar blijven streven.
Hoogachtend,
[Mijnheer, enz.]


Johan de Witt, als raadpensionaris verantwoordelijk voor de buitenlandse politiek, streefde naar stabiliteit en machtsbalans, maar wilde vooral de onafhankelijkheid van de Republiek beschermen. Hij had het Spaanse aanbod dan ook verontwaardigd afgewezen, zowel uit principe als uit staatsbelang. In zijn brief benadrukt hij dat zijn inzet voor vrede voortkwam uit overtuiging en vaderlandsliefde, niet uit persoonlijk voordeel. Omdat hij nooit enige bevestiging had ontvangen dat zijn weigering ook daadwerkelijk aan de Spaanse zijde was doorgegeven, en om elke mogelijke verdachtmaking voor te zijn, besloot hij ruim twee jaar later alsnog zelf een brief te schrijven. Daarmee wilde hij ondubbelzinnig laten vastleggen dat hij voor dergelijke beïnvloeding niet ontvankelijk was geweest; toen niet, en in de toekomst evenmin.
Hoewel de Tachtigjarige Oorlog in 1648 was geëindigd, en de Republiek officieel vrede had met Spanje, woedde de oorlog tussen Frankrijk en Spanje nog voort. De Zuidelijke Nederlanden, nog steeds Spaans gebied, speelden daarin een sleutelrol in de vorm van een kwetsbare maar strategisch belangrijke bufferzone. De Nederlandse Republiek bevond zich in een lastige positie tussen de twee grootmachten. Spanje probeerde invloed te winnen via diplomatieke middelen, en in dit geval zelfs via smeergeld aan de raadpensionaris, in de hoop op steun of neutraliteit van invloedrijke Nederlandse politici. Het aanbod aan De Witt vond plaats in juni 1658, rond de tijd van de Slag bij Duinkerken (4 juni), waarin Frankrijk met Engelse steun een zware nederlaag toebracht aan het Spaanse leger.

Met de Vrede van de Pyreneeën, gesloten in november 1659, kwam er een officieel einde aan de oorlog tussen Frankrijk en Spanje. Maar de rust in Europa keerde daarmee niet terug. Kort daarna, in maart 1661, overleed kardinaal Mazarin, jarenlang de architect van het Franse buitenlandse beleid. Lodewijk XIV greep zijn kans en kondigde aan voortaan zelf te regeren. De Franse ambities richting de Zuidelijke Nederlanden werden al snel zichtbaarder. Voor Johan de Witt was dit het moment om zijn positie scherp te formuleren. Zijn brief uit diezelfde maand is niet alleen een persoonlijke afwijzing van een poging tot omkoping, maar ook een politiek signaal: de Republiek zou haar onafhankelijkheid blijven verdedigen en zich niet laten meeslepen in de plannen van Frankrijk of Spanje.
De geadresseerde
Aan wie de brief was gericht blijft onduidelijk. De Witt schreef in het Frans en sprak de ontvanger aan als ‘Monsieur’ en ‘Votre Excellence’. Dat maakt het onwaarschijnlijk dat hij zich rechtstreeks richtte tot de meest voor de hand liggende persoon: Don Juan van Oostenrijk, de gouverneur-generaal van de Spaanse Nederlanden, die De Witt evenwel zou hebben aangesproken als ‘Sérénissime Prince’ en ‘Votre Altesse’. Een meer waarschijnlijke geadresseerde is Pérez de Vivero, graaf van Fuensaldaña. Hij was in 1658 de hoogste militaire commandant in de Spaanse Nederlanden onder Don Juan en was al sinds 1648 verantwoordelijk voor zowel de financiën als het leger in Vlaanderen. Een andere kandidaat als geadresseerde is de eerste minister van koning Filips IV van Spanje, Don Luis Méndez de Haro, markies van Carpio, die volop betrokken was bij de onderhandelingen rondom de Frans-Spaanse oorlog. [Suggesties welkom! IH].

Van Spaanse zijde is geen reactie op deze brief bekend. Ook in andere bronnen of brieven rondom De Witt wordt deze poging tot beïnvloeding niet genoemd. Wel circuleerde een bericht over een andere poging, waarbij Gamarra De Witt een positie in de Raad van Financiën van de Nederlanden zou hebben aangeboden.2 Of dat werkelijk is gebeurd, blijft onzeker: er is geen enkele aanwijzing in De Witts eigen papieren, en het klinkt zeer onwaarschijnlijk.
Of De Witt de brief ook echt heeft verstuurd, valt niet met zekerheid te zeggen. Maar zelfs als concept is het een uitzonderlijk document. Zelden krijgen we zo’n directe en scherpe inkijk in De Witts houding tegenover corruptie, zijn gevoel voor correct en onkreukbaar bestuur, en de grenzen die hij stelde aan diplomatieke beïnvloeding.
Ineke Huysman, 2 augustus 2025
- Herbert Rowen, John de Witt (1978) 470. ↩︎
- Henri Lonchay, La rivalité de la France et de l’Espagne aux Pays-Bas (1635-1700). Étude d’histoire diplomatique et militaire. In: Mémoires couronnés et autres mémoires publiés par l’Académie royale des sciences, des lettres et des beaux-arts de Belgique. Collection in-8°. Tome 54. (1896) 1-367, aldaar 205. ↩︎

