
Ende vertrouwe ick vastelijcken dat geene van de voors. brieven aen U.Ed. geschreven onder ’t getal van diegene die nu in ‘t licht staen te comen, bevonden sullen worden, ten waere alleenlijcken diegene die van den purperen regen is spreeckende, als niet vindende in deselve eenige materie ofte substantie waerdig omme als een schrift van de voornoemde overledene in ‘t licht te werden gebracht.[1]
vrij vertaald: ‘Ik ga er sterk van uit dat geen van de genoemde brieven aan u geschreven zal worden opgenomen bij de stukken die nu gepubliceerd worden, behalve misschien die over de purperen regen — omdat die inhoudelijk niets bevatten wat het waard maakt om als werk van de overledene naar buiten te brengen’.
Dat schreef Johan de Witt in een brief van 16 januari 1654 aan zijn ‘neef’, predikant Andreas Colvius (1594-1671).[2] Uit een eerder blog bleek al dat men zelfs de meest vergezochte familieband aangreep om iets gedaan te krijgen — en dat lijkt ook hier het geval. De grootouders van Colvius waren namelijk de overgrootouders van De Witt, waardoor de twee als achterneven golden.[3] Dat zo’n verwantschap met de raadpensionaris niet automatisch voordeel opleverde, ondervond de predikant tot zijn spijt.
Colvius had in een eerdere brief (‘missive van date den 7en deser loopende maend’) een verzoek aan De Witt gedaan: hij wilde graag een selectie van zijn correspondentie met René Descartes (1596–1650) – de ‘overledene’ waar De Witt naar verwijst – laten publiceren. De Witt zou deze brieven moeten doorgeven aan de Franse ambassadeur Pierre Hector Chanut (1601–1662), die op dat moment werkte aan een uitgave van Descartes’ correspondentie.[4]

Op zo vriendelijk mogelijke wijze liet De Witt Colvius weten dat hij er weinig heil in zag. Hij speelde in op het verstand van de Dordtse predikant: als de inhoud van de brieven werkelijk bedoeld was geweest voor publicatie, zo redeneerde hij, dan zou Descartes ze zelf wel geselecteerd hebben.[5] Toch schoof hij de collectie niet volledig terzijde — dat ene stuk over purperen regen vond hij wél interessant.
Purperen regen
De passage over deze bijzondere regen lijkt te verwijzen naar een fenomeen dat zich in 1646 voordeed in Brussel. Op 6 oktober van dat jaar viel er een donkerrode regen, die de aandacht trok van de Vlaamse wetenschapper Godefroy Wendelin (1580–1667). Hij onderzocht het verschijnsel door een monster van de regen te verzamelen en experimenteel te analyseren. Daaruit bleek dat de vloeistof een gele substantie bevatte — ook zichtbaar wanneer de regen op papier opdroogde. Verder reikte zijn onderzoek niet, en het verschijnsel bleef dan ook onverklaard. [6] Wendelin legde zijn bevindingen vast in het werk Pluvia purpurea Bruxellensis — ‘De paarse (of donkerrode) regen van Brussel’.

Tegenwoordig weten we dat de Brusselse pluvia purpurea waarschijnlijk woestijnzand bevatte dat tijdens een storm boven Afrika was opgestuwd en met de luchtstromen naar Europa werd gevoerd. Boven Brussel kwam dit stof met de regen naar beneden. Het zand en de aanwezige mineralen veroorzaakten de karakteristieke rode gloed. Ook nu zien we dat effect terug: skipistes kleuren rood en de lucht trakteert ons op spectaculaire zonsop- en ondergangen.
Wendelin schreef over dit onderwerp veel brieven naar tijdgenoten, onder wie René Descartes, die op zijn beurt over datzelfde onderwerp correspondeerde met Andreas Colvius. Een van de brieven van Descartes over de regen verscheen wel in zijn gepubliceerde correspondentie en wel in het tweede deel der Lettres des Descartes uit 1659. Hoewel de brief ongeadresseerd in de bundel staat, gaan experts er vanuit dat dit een van de brieven is die Descartes aan Colvius geschreven heeft over het onderwerp. [7] De brief waar Johan de Witt naar verwees, haalde de selectie dus niet — maar mogelijk wel het antwoord erop.

Wat er precies besproken werd in de brieven die volgens De Witt niet geschikt waren voor publicatie, valt niet meer te achterhalen. Ze zijn niet bewaard gebleven in zijn archief — hij had ze immers teruggestuurd naar Colvius. Ook in het Dordtse archief, de stad waar Colvius predikant was, is niets teruggevonden.[8] De achterneef van Johan de Witt slaagde er dus niet in om ook maar een deel van zijn correspondentie met Descartes onder de aandacht van Chanut te brengen.[9] Of De Witt terecht oordeelde over de inhoud van de brieven en zijn besluit ze niet door te sturen, zullen we nooit met zekerheid weten.
Robert de Best, 22 februari 2021
[1] Nationaal Archief, Den Haag, Johan de Witt, Raadpensionaris van Holland, nummer toegang 3.01.17, inventarisnummer 3, fols. 43-44.
[2] Ad Leerintveld, ‘Johan de Witt aan Andreas Colvius, 16 januari 1654’, in: Johan de Witt en Frankrijk, Ineke Huysman en Roosje Peeters (Soest 2020), 65-71.
[3] Thijssen-Schoute, C.L. “Uit de Republiek der Letteren – Elf studiën op het gebied der ideeëngeschiedenis van de Gouden Eeuw” (Den Haag,1967) 80.
[4] Ibidem, 81-82.
[5] Ibidem, 82.
[6] Gill, T.E, Stout, J.E, Warren, A, “Publication trends in aeolian research: An analysis of the Bibliography of Aeolian Research” in: Geormorphology 105 (2009), 7.
[7] Thijssen-Schoute, C.L. Uit de Republiek der Letteren (Den Haag, 1967), 81
[8] Thijssen-Schoute, C.L. Uit de Republiek der Letteren (Den Haag, 1967), 82-83.
[9] Ibidem, 80.

