In het jaar 1668 bevindt de Republiek zich economisch in een sterke positie. De oorlog met Engeland is beëindigd met een voor de Republiek gunstige vrede. De handel bloeit en Amsterdam is een van de belangrijkste financiële centra van Europa, met aan het hoofd de befaamde Wisselbank. De Wisselbank zorgt voor stabiliteit binnen het geldcircuit, wat bijdraagt aan een groot vertrouwen in de bank op zowel nationaal als internationaal niveau.1 Dat komt mede doordat de bank de relatief waardevaste bankgulden gebruikt. Daarnaast staat in het reglement van de bank dat de tegoeden van rekeninghouders gedekt moeten zijn door een overeenkomstige hoeveelheid edelmetaal in de opslag van de bank, hoewel dat in de praktijk niet altijd het geval blijkt te zijn.2
Ondanks de machtspositie van de Wisselbank dreigt een langlopende ruzie tussen een handelaar uit Amsterdam en de Republiek van Venetië de financiële wereld te ontwrichten. De vete mondt uit in een diplomatieke kwestie van internationale omvang. Raadpensionaris Johan de Witt raakt al snel betrokken en vervult een centrale rol in de afwikkeling van het geschil. Uiteindelijk loopt het allemaal met een sisser af. Toch bracht één Amsterdamse koopman de financiële wereld in beroering en legde daarmee een spanningsveld tussen particuliere rechtsbescherming en staatssoevereiniteit bloot.
Amsterdamse brutaliteit
Rocco Tamagno, François Feroni en Philippe Surmond, handelaren in Venetiaanse dienst, staan voor een bijzonder onaangename verrassing in het najaar van 1668. De Amsterdamse koopman Samuel Sautijn besluit namelijk beslag te leggen op een grote som geld van deze handelaren. Dit geld was echter niet van henzelf, zo beklaagt de Venetiaanse ambassadeur Giovanni Morosini3 zich in zijn brief aan Johan de Witt, maar afkomstig van de Republiek van Venetië.4
Sautijn beweert dat hij nog 35.637 dukaten moet ontvangen van de Venetiaanse Republiek, waarna hij de autoriteiten inschakelt om het bedrag via de Wisselbankrekening van de Italianen te vorderen.5 Een Venetiaanse dukaat was in die tijd zo’n twee gulden waard. Ter illustratie: een ongeschoolde dagarbeider verdiende in de zeventiende eeuw ongeveer 0,6 gulden per dag in de Lage Landen.6
De aanleiding van deze vete speelt zich zo’n veertig jaar voor de beslaglegging af. Sautijn wordt ingehuurd voor het verschepen van ruim 2.000 soldaten naar Venetië.7 De Republiek van Venetië is rond de jaren dertig van de zeventiende eeuw namelijk verwikkeld in de Mantuaanse Successieoorlog. De Venetiaanse overheid verdenkt Sautijn echter van corruptie en stelt een onderzoek in. De Amsterdammer wacht de uitkomst van het onderzoek niet af en vlucht weg uit Italië, naar zijn geboortestad, zonder volledig te zijn betaald voor zijn diensten.8
Decennia later, op het moment dat de Italiaanse handelaren in naam van de Venetiaanse Republiek een rekening openen bij de Wisselbank, ziet Sautijn zijn kans schoon en dient hij op 18 oktober 1668 een mandement van arrest in. Beslaglegging op het Venetiaanse geld is het gevolg.9 Niet lang na het beslag ‘heeft Tamagno aen Sautijn insinuatie gedaen,’ zo valt te lezen in een opgesteld overzicht van het geschil.10 Tamagno zal een belangrijke rol blijven vervullen in de afhandeling van de kwestie. Hoe deze zaak uiteindelijk is beslecht met Feroni en Surmond, is onbekend.

Diplomatie op hoog niveau
Nadat Tamagno de Venetiaanse instanties op de hoogte brengt van de vordering, wordt in de loop van 1669 diplomatieke actie ondernomen. Op 9 augustus 1669 schrijft Morosini, vrij vertaald, aan De Witt:
De Doorluchtige Republiek Venetië heeft altijd een zeer nauwe vriendschap en uitstekende verstandhouding onderhouden met de Heren Staten van Holland. Telkens wanneer zich een gelegenheid voordeed om hun daarvan blijk te geven, heeft zij steeds gehandeld met alle oprechtheid die deze heren zich konden wensen. Zij hoopt dan ook dat zij haar bij de huidige gelegenheid op dezelfde wijze tegemoet zullen komen. Daarom heeft zij mij opgedragen mij tot u te wenden en u de rechtmatigheid van haar verzoek voor te leggen, als aan iemand wiens gezag en invloed veel gewicht bij hen hebben en op wiens rechtschapenheid zij bij hun belangrijkste aangelegenheden vertrouwen.11
Morosini maakt kenbaar dat hij is aangesteld door de Republiek van Venetië om de delicate zaak op te lossen. Hij wendt zich daarom met enige vleierij tot De Witt. De ambassadeur positioneert het geschil nadrukkelijk in een diplomatieke context. Hij benoemt de nauwe band tussen beide staten en benadrukt de wederkerigheid van de goede verstandshouding. Door de kwestie in deze context te plaatsen, hoopt hij De Witt ertoe te bewegen zijn politieke invloed in te zetten om het geschil tot een einde te brengen.

Verderop in de brief legt Morosini uit dat het geconfisqueerde bedrag een gift van de Franse koning is om de Venetianen te helpen bij de verdediging van Kandia. Kandia, gelegen op Kreta, wordt op het moment van schrijven belegerd door de Ottomanen. Deze slepende oorlog begon in 1645 en in 1669 is de situatie voor de Venetiaanse verdedigers penibel. Financiële steun is dan ook hard nodig. Morosini beargumenteert dat christelijke saamhorigheid in deze strijd het geschil met Sautijn zou moeten overstijgen. Tegelijkertijd stelt de ambassadeur dat de Venetiaanse Republiek welwillend is om Sautijns zaak te behandelen, zolang hij dat in Venetië doet:
‘De Doorluchtige Republiek is, en zal altijd blijven, bereid de genoemde Samuel Sautijn alle voldoening te geven die hij met recht kan verlangen, telkens wanneer hij te Venetië zijn aanspraken zal willen voorleggen.’12
Het antwoord van de raadpensionaris laat enige tijd op zich wachten, omdat de zaak hem volgens eigen zeggen nog niet volledig helder was. Op 11 oktober vraagt hij aan de Amsterdamse burgemeester Coenraad van Beuningen om opheldering over de kwestie.13
Een kleine twee weken later blijkt De Witt up-to-date te zijn en antwoordt hij Morosini op 24 oktober 1669. Hij stuurt zijn brief eerst naar de in Parijs werkzame secretaris Christiaan Rumpf, met het verzoek deze aan de Venetiaanse ambassadeur te overhandigen.14
In de brief aan Morosini, waarvan ook een afschrift is gevonden in de Universiteitsbibliotheek in Leiden15, legt de raadpensionaris, vrij vertaald, uit dat de politieke macht zich niet zomaar kan mengen in de rechtsgang:
[…] dat het soevereine gezag van de Heren Staten van Holland niet ingrijpt in zaken waarvan de rechter kennis heeft genomen, zoals ook het geval is met het geschil dat de heer Sautijn met de Republiek heeft. Hij heeft enige gelden doen beslaan […] volgens de gewone rechtsgang en het gebruik, dat particulieren toestaat hun aanspraken te vervolgen en op deze wijze de rechtsmacht en bevoegdheid van de rechters te vestigen. Alles wat het bestuurlijk gezag volgens onze gewoonten en staatsinrichting heeft kunnen doen, en nog kan doen, is derhalve proberen de partijen tot een schikking te brengen, of de rechterlijke macht alle vrijheid te laten die de wetten van het land haar toekennen.16
Toch laat De Witt weten dat zowel hij als de burgemeesters van Amsterdam zich hebben ingespannen, en dat zullen blijven doen, om Sautijn ertoe te bewegen zich schappelijk op te stellen mits hij ‘niet in zijn eigen recht wordt tekortgedaan.’17 De raadpensionaris doet vervolgens een voorstel: Sautijn is bereid opnieuw een contract met de Venetiaanse Republiek aan te gaan om haar te voorzien van oorlogsmaterieel. De Witt herhaalt zijn eerdere bewoordingen over inmenging van de staat bij de rechterlijke macht en bedient zich van een sterk staaltje retorische bescheidenheid:
Dit is ook alles wat men daarvan rechtmatig kan verwachten, aangezien de soevereine macht van de provincie zich niet zo ver veroorlooft te gaan dat zij de rechters zou verplichten haar onderdanen geen recht te doen. U zult, mijnheer, zo het u behaagt, zelf kunnen beoordelen of er, gezien de mate van invloed die u mij toeschrijft, maar die niettemin begrensd wordt door mijn ambt, ook maar enige mogelijkheid bestaat dat ik iets zou kunnen doen in strijd met de wetten van het land, of een inwoner van deze provincie zou kunnen dwingen afstand te doen van het recht dat die wetten hem verlenen.18
Tussen recht en diplomatie
Waar Morosini in deze zaak de betrekkingen tussen de twee staten benadrukt, verlegt De Witt het accent en onderstreept hij de juridische en bestuurlijke kant van de kwestie. Hij wijst de Venetiaanse ambassadeur op de lokale wet- en regelgeving en verdedigt de rechtsgang die Sautijn in staat stelt zijn claim juridisch geldend te maken. Daarnaast heeft het Venetiaanse garnizoen in Kandia zich al overgegeven op het moment dat De Witt Morosini schrijft. Het argument van de ambassadeur over christelijke saamhorigheid verliest dan ook aan kracht. Waar Morosini hem bovendien schrijft als ambassadeur van een soevereine staat, reageert De Witt namens de provinciale Staten van Holland en West-Friesland.
Een rechtstreekse, wederzijdse correspondentie tussen de Staten-Generaal en de Venetiaanse Republiek blijft vooralsnog uit. In deze periode fungeren de Staten-Generaal echter als gezamenlijke vertegenwoordiger van de gewesten, waaronder in internationale kwesties. Dat de Staten-Generaal een passieve actor lijken te zijn in deze internationale affaire zal op een later moment in dit conflict nog een heikel punt blijken voor de Venetianen. Tegelijkertijd toont De Witt zich oplossingsgericht en is hij bereid de rol van bemiddelaar op zich te nemen.
Ondanks de inspanningen van de raadpensionaris informeert de Nederlandse ambassadeur in Londen, Willem Boreel, hem in december 1669 dat de Venetiaanse Republiek niet te spreken is over de gang van zaken. Boreel stelt dat de Venetiaanse ambassadeur die ook in Londen werkzaam is, Pietro Mocenigo, hem heeft laten weten dat hij het ten zeerste betreurt dat de kwestie bij justitie is beland. Mocenigo is de mening toegedaan dat het geschil politiek opgelost had moeten worden ‘ende als staet tegens staet moeste werden geconsidereert’.19 Daar blijft het echter niet bij. Boreel schrijft dat Mocenigo:
[…] begeerde, dat het arrest op de gelden soude werden afgedaen, […] ofte anders wilde syn excellencie mede de saecke wel compromitteren, dogh by onstentenisse van dien seyde syn excellencie, dat er, by verder procedure in de justitie meerder swaerigheydt te waghten stondt, ende dat er altydt veel scheepen ende koopmanschappen binnen de stadt van Venetien waeren, waer aen de Republyck altyd haer verhael konde hebben, maer syn excellencie hoopte niet gedwongen te sullen wesen, desen wegh in te moeten gaen.20
Het dreigement lijkt aanvankelijk weinig los te maken in het Nederlandse kamp. De Witt laat Boreel op 27 december kort weten dat hij de rechtspleging geen onrecht aan kan doen, maar dat de Staten bereidwillig zijn om te bemiddelen. Hij refereert aan zijn brief aan Morosini en voegt deze als bijlage toe.21
Twee maanden later blijkt er weinig schot in de zaak te zitten, maar zijn de Staten-Generaal ondertussen betrokken geraakt. In een resolutie van de Staten-Generaal, naar aanleiding van een brief van secretaris Rumpf over de zaak Sautijn, valt te lezen ‘dat de voorschreven saecke aende ordinaris justicie hier te lande aenhanghigh is gemaeckt’.22 De Staten-Generaal lijken te verwijzen naar een uitspraak van het Hof van Holland op 20 november 1669, overigens niet te verwarren met het mandement van arrest uit 1668. Sautijn schrijft later dat aan deze uitspraak een provisioneel vonnis uit 1651 ten grondslag lag dat het Hof op 20 november 1669 had vernieuwd:
[…] en alsoo ick geen satisfactie daer van konde becomen vont ick goet op seker gedaen arrest voorts te procederen voorden Ed. Hove van Holland en obtineerde ick provisionele sententie van de selve in den jare 1651 vande voorschreve geliquideerde somme, welcke sententie nu onder 20 november laestleden door den selven Hove is vernieuwt ende Repub. gecondemneert inde costen.23
De resolutie van de Staten-Generaal benadrukt, zoals De Witt dat ook deed, dat de staat zich niet zomaar kan mengen in zaken van justitie. Tot slot wordt aan Rumpf medegedeeld dat, wederom overeenkomstig het schrijven van De Witt, de Staten-Generaal bereid zijn om te bemiddelen.

Venetiaanse dreigementen
Toch is De Witt er zeer bij gebaat dat de kwestie snel wordt opgelost. Hoewel de raadpensionaris in zijn correspondentie met Morosini niet spreekt over de internationale context, speelt deze terdege een grote rol. Dat komt in het bijzonder door de spilfunctie die Amsterdam vervult in het financiële circuit in de wereld. Van Beuningen, ondertussen niet langer burgemeester van Amsterdam maar ambassadeur in Engeland, hoopt vanuit Londen dat de zaak nu toch snel opgelost zal worden. Op 19 juli 1670, bijna twee jaar na de vordering door Sautijn, schrijft hij aan de burgemeesters van Amsterdam dat hij heeft gesproken met de Venetiaanse ambassadeur in Londen, de al eerder benoemde Mocenigo.
Mocenigo is verontwaardigd over het feit dat de politieke leiders in Holland er nog altijd niet in zijn geslaagd de vordering in te trekken. Nog meer verbolgen is hij over de behandeling van de Venetiaanse staat:
[…] dat deselve met de consideratie die de eene souveraine staet aende ander schuldig is, niet konde overeenbrengen, dat haer de kleenigheijt soude geschieden van dus bij een particulier […] bij de hals gevat ende gefoorceert te worden.24
Het moge duidelijk zijn dat het voor Mocenigo onbegrijpelijk is dat een soevereine staat zoals Venetië zo wordt aangepakt door nota bene een particulier. Deze voor hem problematische verhouding tussen staat en burger kaartte hij in 1669 ook al aan tijdens zijn gesprekken met ambassadeur Boreel. Dat de Staten van Holland en de Staten-Generaal hier geen concrete actie op lijken te hebben ondernomen, doet de zaak vermoedelijk geen goed. De reactie van Mocenigo benadrukt het spanningsveld dat is ontstaan tussen particuliere rechtsbescherming, de soevereiniteit van de Venetiaanse Republiek en de positie die Amsterdam inneemt binnen de financiële wereld.
Van Beuningen waarschuwt namelijk dat deze kwestie flinke consequenties kan hebben voor de financiële markt in heel Europa. Als de Venetianen zouden besluiten beslag te leggen op eigendommen van Amsterdammers, waar Mocenigo in 1669 al op hintte, zou dat grote gevolgen hebben. Veel handelaren beheren immers grote sommen geld uit Frankrijk en Spanje. Daarnaast maakt de diplomaat zich zorgen over de reputatie van de Wisselbank: ‘[…] omdat de reputatie van de securiteijt van de voors: Banck daer door wort gequetst’.25
De brandbrief van Van Beuningen wordt op 23 juli 1670 behandeld door de Staten van Holland. In de vergadering wordt besloten dat door ‘de Heeren van Dordrecht, en andere haer Ed. Groot Mog. Gecommitterden tot de saken van de Zee, nader ge-examineert en overwogen, mitsgader de Vergaderinge dienthalven van advise gedient sal werden.’26
Twee dagen later laat De Witt aan Van Beuningen weten zijn bericht aangaande Sautijn ook te hebben ontvangen en stuurt hem de uitkomst van de vergaderingen van de Staten van Holland.27 Door de toenemende druk zien de Staten zich genoodzaakt zich minder passief op te stellen en hun invloed aan te wenden om de zaak tot een wenselijk einde te brengen.
Ook Sautijn zelf blijft een belangrijke partij in deze zaak. Tijdens de afhandeling van het conflict onderhoudt hij intensief briefcontact met zowel de in Parijs werkzame ambassadeur Pieter de Groot als secretaris Rumpf. Zo schrijft hij op 13 augustus 1670 aan Rumpf dat hij weigert af te wijken van zijn standpunt dat hij recht heeft op 73.650 gulden, of 35.637 Venetiaanse dukaten. Sautijn voelt zich gekrenkt in zijn eer en houdt daarom voet bij stuk: ‘[…] ende mijn eere kan niet gesalueert worden sonder dat gelt crijge, daer is te veel geruijs om gemeackt’.28 Hij stelt bovendien recht te hebben op nog eens 24.000 gulden in verband met ‘lechdaghen van schepen, costgelt van soldaten’.29 Desondanks laat hij de secretaris weten dat hij tevreden zou zijn als Morosini hem 73.650 gulden betaalt en ‘[…] de andere pretensien soude ick te vrede sijn te verblijven’.30

Op weg naar een akkoord
Enkele maanden later, op 3 december 1670, schrijven de Staten van Holland aan ambassadeur De Groot dat ze zijn bericht aan De Witt hebben ontvangen.31 De Staten zijn tevreden met de progressie die De Groot boekt in zijn onderhandelingen met Morosini en moedigen hem aan deze voort te zetten naar eigen inzicht: ‘[…] ende tot de wege te leggen, ende oock daer over gedragende tot UEd: wijse conduite.’32 Bovendien vaardigen de Staten een resolutie uit die vermoedelijk op de goedkeuring kon rekenen van de Venetiaanse Republiek. De aangenomen resolutie benadrukt de bescherming van tegoeden bij de Wisselbank tegen beslaglegging.33 Deze bescherming van tegoeden wordt vervolgens in een octrooi bevestigd:
[…] dat geene arresten op gelden ofte effecten in de voorseijde wisselbanck zijnde nogh oock op de actie off ’t reght tot de selve […] gedaen sal mogen werden onder de factoors ofte andere gemachtighden op welckers naem de gelden off andere specien in bancko gestelt souden mogen sijn alles op pane van nulliteijt ende dat daer op geen recht gedaen sal mogen worden, maer dat dien onaengesien bij de gene op welckers naem of reeckeninghe deselve gelden of specien sullen getelt sijn, daer van vrijelijck ende sonder eenighe verantwoordinge subject te sijn gedisponeert sal mogen worden.34
De resolutie lijkt een positieve werking te hebben in het onderhandelingsproces. De Groot schrijft De Witt op 13 februari 1671 dat hij het zo goed als eens is met Morosini over de hoogte van het te betalen schikkingsbedrag. De Venetiaanse Republiek verwijt de Staten-Generaal echter een gebrek aan beleefdheid doordat ze geen respons hebben gegeven op verschillende missiven die de Venetianen hebben gestuurd. Daardoor blijkt er aarzeling te zijn om zich rechtstreeks te wenden tot de Staten van Holland, in plaats van de Staten-Generaal. De Venetianen vrezen ‘op deselve wijse genegligeert te sullen werden.’35 Ook schrijft De Groot dat het de Venetiaanse Republiek ongewoon is ‘om aen eene provincie int particulier te schrijven.’36
De diplomaat stelt de raadpensionaris daarom voor om de Staten-Generaal ertoe te bewegen een brief te schrijven, waarin ze uitleggen dat de zaak onder de Staten van Holland en West-Friesland valt en dat de Venetianen ‘sonder twijffel alle contentement sal erlanghen, dat volgens de constitutie van derselver Regieringe aende selve kan gegeven werden.’37
Schikking
Ondanks deze positieve ontwikkelingen blijft de kwestie voor grote onrust zorgen. Kooplieden die veel handel drijven in de Mediterraanse regio vrezen voor Venetiaanse represailles en betalingen komen stil te liggen.38 Belanghebbende handelaren, waaronder veel Italianen uit Amsterdam, ondertekenen in 1671 een petitie die ervoor pleit het conflict zo snel mogelijk op te lossen.39 Uiteindelijk treffen Sautijn en de Venetiaanse Republiek op 29 april 1671 een schikking nadat Morosini en De Groot een akkoord hebben gesloten.40 De Staten van Holland en West-Friesland openen een speciale rekening waarop de Republiek van Venetië 45.000 gulden stort. Sautijn ontvangt 31.166 gulden, Tamagno de rest.41
De Witt rapporteert aan de Staten van Holland en West-Friesland dat ‘eyndelijck het bewuste different tusschen de Republique van Venetien ter eenre, ende Samuel Sautijn, Koopman tot Amsterdam, ter andere […] was uyt de wege geleyt’.42 Toch is de zaak daar nog niet helemaal mee afgerond. Het Venetiaanse kamp heeft namelijk verzocht om de resoluties en notulen over de zaak uit de registers te schrappen. Het blijkt een van de laatste openstaande punten uit het akkoord van De Groot en Morosini. Dit was tot nog toe niet mogelijk geweest, omdat de Staten van Holland en West-Friesland nog niet bijeengekomen waren.43 In een brief aan Morosini wordt, vrij vertaald, verzekerd dat ondertussen ook aan dit laatste verzoek is voldaan:
Uit deze brief zal Uwe Excellentie vernemen dat wij dit juist gedaan hebben, en dat wij niet alleen uit de registers alle besluiten hebben laten verwijderen die in onze vergaderingen over dit onderwerp genomen zijn, maar ook dat wij aan de President en de leden van ons Gerechtshof, alsook aan de Schepenen van de stad Amsterdam, bevolen hebben op dezelfde wijze te handelen […].44
Daarmee is de kwestie volledig afgedaan. De hoop wordt uitgesproken dat de goede band tussen beide Republieken onverminderd zal blijven en dat:
[…] de Doorluchtige Republiek van Venetië tevreden zal blijven over onze handelwijze, en dat zij van haar kant met dezelfde oprechtheid zal antwoorden, met name door ons haar verklaring en verordening toe te zenden die alle gelden en bezittingen die onze onderdanen thans hebben, en die wij of onze onderdanen voortaan mogen hebben bij de bank van Venetië, vrijstelt van elke vorm van beslag en inbeslagneming om zodoende voorgoed op te heffen alles wat in de toekomst de goede verstandhouding zou kunnen schaden die tot dusver zo goed onderhouden is geweest tussen haar en deze Staat.45
Ten slotte
Het geschil legt een duidelijk spanningsveld bloot tussen de rechtspraak, staatssoevereiniteit en de internationale reputatie van de Wisselbank. Bovendien laat de kwestie zien hoe een particuliere vordering kan leiden tot een diplomatiek conflict op internationaal niveau waarin rechtspraak, commerciële belangen en staatssoevereiniteit continu interfereren. Waar Sautijns financiële vordering aan de basis staat van de affaire, dragen gevoelens van gekrenkte eer en trots, zowel bij een Amsterdamse koopman als bij een soevereine staat, bij aan verdere escalatie.
De kwestie toont hoe afgebakende juridische grenzen worden benadrukt en hoe daar tegelijkertijd aan wordt getornd. De Staten-Generaal en de Staten van Holland en West-Friesland gaan niet in tegen de rechterlijke uitspraak en de individuele rechtsbescherming blijkt een krachtig middel waar zelfs een soevereine staat als Venetië zich aanvankelijk aan moet conformeren. Maar doordat de Staten van Holland uiteindelijk een resolutie uitvaardigen voor de Wisselbank en als bemiddelaar optreden, wordt een schikking mogelijk gemaakt. Dit gebeurt echter pas na grote diplomatieke en financiële druk.
Daarnaast laat de zaak zien hoe De Witt door de vele partijen en belanghebbenden op verschillende politieke en diplomatieke niveaus wordt betrokken. Hoewel hij de rechtsgang niet naar zijn hand kan zetten, vervult hij een centrale rol bij de bemiddeling die tot een schikking leidt. Door deze schikking kan Sautijn zijn zaak intrekken en dat stelt de Republiek en Venetië in staat de onderlinge betrekkingen te herstellen.
Pit Dehing, Geld in Amsterdam. Wisselbank en wisselkoersen, 1650-1725. Amsterdam 2012, 284.↩︎
Dehing, Geld in Amsterdam, 110, 151.↩︎
Niet te verwarren met de Kandiaanse legeraanvoerder Francesco Morosini.↩︎
Brief van Giovanni Morosini aan Johan de Witt, 9 augustus 1669, 3.01.17, 2809, Nationaal Archief.↩︎
Idem.↩︎
Leon Voet, The Golden Compasses. The History of the House of Plantin-Moretus. Amsterdam 1969-1972, 440-442.↩︎
Maarten Draper, Italian merchants in Amsterdam, ca 1650-1700. Florence 2021, 115.↩︎
Idem.↩︎
Pit Dehing, ‘De Amsterdamse Wisselbank en Venetië in de zeventiende eeuw’, in: Margriet de Roever (red.), Amsterdam: Venetië van het Noorden. Amsterdam 1991, 133.↩︎
Bijlage bij de brief van Giovanni Morosini aan Johan de Witt, 9 augustus 1669, met een overzicht van het geschil, 3.01.17, 2809, Nationaal Archief.↩︎
Brief van Giovanni Morosini aan Johan de Witt, 9 augustus 1669, 3.01.17, 2809, Nationaal Archief.↩︎
Idem.↩︎
Brief van Johan de Witt aan Coenraad van Beuningen, 11 oktober 1669, 3.01.17, 21, Nationaal Archief.↩︎
Brief van Johan de Witt aan Christiaan Rumpf, 24 oktober 1669, 3.01.17, 21, Nationaal Archief.↩︎
Afschrift van de brief van Johan de Witt aan Giovanni Morosini, 24 oktober 1669, BPL 1853, Universitaire Bibliotheken Leiden.↩︎
Brief van Johan de Witt aan Giovanni Morosini, 24 oktober 1669, 3.01.17, 21, Nationaal Archief.↩︎
Idem.↩︎
Idem.↩︎
Brief van Willem Boreel aan Johan de Witt, 21 december 1669, 3.01.17, 1719, Nationaal Archief.↩︎
Idem.↩︎
Brief van Johan de Witt aan Willem Boreel, 27 december 1669, 3.01.17, 21, Nationaal Archief.↩︎
Extract uit het Register der Resoluties van de Staten-Generaal, 19 februari 1670, BPL 1853, Universitaire Bibliotheken Leiden.↩︎
Brief van Samuel Sautijn aan Christiaan Rumpf, 13 augustus 1670, BPL 1853, Universitaire Bibliotheken Leiden.↩︎
Brief van Coenraad van Beuningen aan de burgemeesters van Amsterdam, 19 juli 1670, 5027-6, Stadsarchief Amsterdam.↩︎
Idem.↩︎
Vergadering van de Staten van Holland en West-Friesland, 23 juli 1670, Staten van Holland, 3.01.04.01, 103, Nationaal Archief.↩︎
Johan de Witt aan Coenraad van Beuningen, 25 juli 1670, 3.01.17, 22, Nationaal Archief.↩︎
Brief van Samuel Sautijn aan Christiaan Rumpf, 13 augustus 1670, BPL 1853, Universitaire Bibliotheken Leiden.↩︎
Idem.↩︎
Idem.↩︎
Deze brief van Pieter de Groot aan Johan de Witt, 20 november 1670, is niet overgeleverd.↩︎
Brief van de Staten van Holland en West-Friesland aan Pieter de Groot, 3 december 1670, BPL 1853, Universitaire Bibliotheken Leiden.↩︎
Resolutie van de Staten van Holland en West-Friesland, 16 december 1670, Staten van Holland, 3.01.04.01, 1623, Nationaal Archief.↩︎
Octrooi van de Staten van Holland en West-Friesland naar aanleiding van de aangenomen resolutie op 16 december, Staten van Holland, 3.01.04.01, 1623, Nationaal Archief.↩︎
Brief van Pieter de Groot aan Johan de Witt, 13 februari 1671, 3.01.17, 1866, Nationaal Archief.↩︎
Idem.↩︎
Idem.↩︎
Pit Dehing, Geld in Amsterdam, 131.↩︎
Draper, Italian Merchants in Amsterdam, 115.↩︎
Vergadering van de Staten van Holland en West-Friesland, 15 juli 1671, Staten van Holland, 3.01.04.01, 103, Nationaal Archief.↩︎
Dehing, ‘De Amsterdamse Wisselbank’, 135.↩︎
Vergadering van de Staten van Holland en West-Friesland, 15 juli 1671, Staten van Holland, 3.01.04.01, 103, Nationaal Archief.↩︎
Idem.↩︎
Brief van de Staten van Holland en West-Friesland aan Giovanni Morosini, 19 juli 1671, Staten van Holland, 3.01.04.01, 103, Nationaal Archief.↩︎
Idem.↩︎

