In aansluiting op de Omroep Max-documentaire over de Grand Tour van de gebroeders Johan en Cornelis de Witt die zij als jongemannen ondernamen, volgt het Johan de Witt team gedeeltes van de reis die niet in de documentaire zijn opgenomen. De eerste ‘petit tour’ voerde ons door Bretagne en Normandië. Tijdens onze tweede ‘petit tour’ – een vijfdaagse reis van 1 t/m 5 mei 2025 – reconstrueren we in drie afleveringen de route die de broers aflegden van Marseille via Toulon naar Aix-en-Provence van 27 juli t/m 9 augustus 1646, met een verslag vol foto’s, video’s, dagboekfragmenten en afbeeldingen.



De eerste dag van onze petit tour in het spoor van de gebroeders De Witt begint eigenlijk al een dag eerder, op 30 april. In Parijs maken we met onder andere de huidige Nederlandse ambassadeur Jan Versteeg een wandeling door Saint-Germain-des-Prés, langs plaatsen waar in de 17e-eeuwse Nederlanders verbleven, zoals de gebroeders De Witt, Hugo de Groot en leden van de familie Huygens.


De tour, die zo’n anderhalf uur duurt (maar ook online te bekijken is) eindigt met een verfrissend drankje in de residentie van de ambassadeur, hôtel d’Avaray, aan de rue de Grenelle.



Vrijdag 1 mei staat in het teken van de verplaatsing van Parijs naar Marseille. Tegenwoordig brengt de TGV je er in slechts drie uur naartoe. In de 17e eeuw lag de route iets anders – meestal via Lyon – en was de afstand, afhankelijk van de wegkeuze en de omstandigheden, wat langer. Te paard deed men er toen gemiddeld 6 tot 10 dagen over, afhankelijk van het weer en de staat van de wegen. In Marseille huren we een auto. Onze petit tour is dit keer een rondreisje, en daarom kozen we voor een huisje midden in het gebied, in het dorpje Roquevaire. Zo kunnen we elke dag ontspannen, zelf koken en genieten van de Provençaalse omgeving – zonder de verplichtingen die een hotel met zich meebrengt, zoals elke ochtend opnieuw inpakken en vertrekken.
Marseille

Vrijdag 2 mei rijden we naar Marseille waar onze eigenlijke petit tour begint. Johan en Cornelis de Witt verbleven in Marseille van 27 juli t/m 2 augustus 1646. Ze bekeken er meer dan wij in één ochtend aankunnen, we beperken ons dus tot het gedeelte ten oosten van de oude haven.

29 juli 1646, Marseille. Zondag zagen wij de plaats waarvan men zegt dat de Heilige Maria Magdalena ooit begonnen is de inwoners van Marseille in de christelijke leer te onderwijzen.
Marseille is in haar lange geschiedenis altijd een belangrijke handelsstad geweest. De Grieken stichtten de stad waarschijnlijk rond 600 v. Chr.. Omdat de rivier de Rhône dichtbij ligt, kon handelswaar gemakkelijk vanaf de Middellandse Zee verder Europa ingevoerd worden. In de periode dat de gebroeders De Witt de stad bezochten, was de stad nog steeds een belangrijk onderdeel van die handelsroutes.

Twee jaar na de reis van de broers braken er verschillende opstanden uit waarin de stad zich verzette tegen de steeds machtiger wordende koning Lodewijk XIV. Het conflict liep zelfs zo hoog op dat een leger van de koning de stad in 1660 omsingelde. Uiteindelijk zwichtte de stad voor de koning, waarna twee grote forten werden gebouwd: Fort Saint-Jean en Fort Saint-Nicolas. De twee forten liggen aan het begin van de haven, Vieux-Port.

Marseille, 31 juli 1646: Dinsdag zijn we naar de Abbaye Saint-Victor de Marseille geweest waar het hoofd van Sint Victor werd vertoond, een deel van de baard van Sint Paulus, een kruisje gemaakt van het hout van het kruis van Christus, een vinger van Sint Pieter, het kruis waar Sint Andreas aan is gekruisigd en nog vele andere relieken. Er was ook een grot die zich 300 stappen onder de grond bevindt, waar Maria Magdalena haar eerste boete heeft gedaan.
Op 31 juli 1646 bezochten Johan en Cornelis de Witt de Abdij van Saint-Victor, een van de oudste kloosters van West-Europa, gesticht in de 5e eeuw door Johannes Cassianus op een plek met een Romeinse steengroeve en necropolis. De relieken van de martelaar Victor, een Romeinse soldaat uit de 4e eeuw, liggen volgens de legende nog steeds in de crypte.


De abdij werd eeuwenlang bewoond door benedictijner monniken en speelde een belangrijke rol in de religieuze en militaire geschiedenis van Marseille. Met haar ligging aan de Vieux-Port biedt ze niet alleen een prachtig uitzicht, maar ook toegang tot crypten, kapellen en sarcofagen, die een uniek beeld geven van vroegchristelijke kunst. De broers betaalden 1 gulden om de relieken te mogen zien.
Omdat De Witt het over 300 stappen heeft proberen we na te gaan of dit klopt. En ja, vanaf de oorspronkelijke ingang tot aan de grot klopt dit wel ongeveer.
31 juli 1646, Marseille: We zijn ook in het kasteel Nôtre-Dâme-de-la-Garde geweest. Onder de poort is de kapel van Nôtre-Dâme-de-la-Garde, die voor zeer heilig wordt gehouden en waar veel wonderen worden verricht.

Op het hoogste punt van Marseille, de Colline de la Garde, staat de imposante basiliek Notre-Dame de la Garde. Het is een flinke klim, zeker in de zomer – iets waar ook Johan en Cornelis in 1646 mee te maken kregen. Toen bezochten zij de kapel die toen nog onderdeel was van een fort uit 1524. Van dat fort resteert nu slechts één bastion. De huidige kerk, gebouwd in de 19e eeuw, staat boven op deze resten en is sindsdien een markant stadsbeeld en geliefd bedevaartsoord.


1 augustus 1646: Woensdag zijn we in de Cathédrale Saint-Marie-Majeure de Marseille geweest waar het hoofd van Lazarus wordt vertoond.

De Cathédrale de la Major is een opvallende 19e-eeuwse kerk in romano-byzantijnse stijl, gebouwd op de plek van eerdere kerken. Toen Johan en Cornelis de Witt in 1646 de ‘kathedraalkerk’ bezochten, zagen ze de romaanse versie uit de 12e eeuw. Resten daarvan – het koor en een deel van het schip – staan nog naast de huidige kerk, maar wij slaan het over: het past niet in ons schema.

We bezoeken het Musée du Savon de Marseille, ondergebracht in het indrukwekkende Arsenal des Galères aan de Vieux-Port. Dit kolossale arsenaal voor Lodewijk XIV’s galeivloot werd pas na 1664 gebouwd. Johan en Cornelis de Witt zagen het dus niet tijdens hun bezoek in 1646, maar waren er vast in de buurt – en konden zich later ongetwijfeld een beeld vormen van dit maritieme machtsvertoon.


In het museum duiken we in de geschiedenis van de zeep van Marseille: de beroemde vierkante blokken zeep op basis van olijfolie, die al sinds de 17e eeuw volgens vaste regels worden gemaakt. We zien oude mallen, ingrediënten en etiketten, leren over de rol van zeep in handel en hygiëne, en mogen zelf proberen de verschillende geuren te herkennen.

Tijdens hun verblijf in Marseille gaven de broers 37 gulden en 17 stuivers uit aan overnachtingen en maaltijden. Daarbovenop betaalden ze 4 gulden aan de schoenmaker, kochten voor 9 gulden nieuwe kousen, lieten voor 1 gulden en 10 stuivers hun paard beslaan, schakelden voor 1 gulden een wasvrouw in en besteedden 2 gulden bij de zadelmaker.

Na een stokbroodje aan de haven, verlaten we Marseille en rijden we 20 kilometers oostwaarts naar Aubagne.
Aubagne
2 augustus 1646, Aubagne: Tegen de avond vertrokken we uit Marseille en we overnachtten in Aubagne ‘À la Tête Noire’.
Aan de voet van de Mont Garlaban ligt Aubagne, een oude stad met een sterke ambachtelijke traditie. Johan en Cornelis de Witt kwamen er in 1646 tegen de avond aan en vertrokken de volgende ochtend alweer, ze gaven er 3 gulden uit. Veel tijd hadden ze dus niet, maar mogelijk passeerden ze tijdens een korte wandeling de romaanse Église Saint-Sauveur, het oudste monument van de stad. De kerk uit de 12e eeuw, later uitgebreid, staat op het hoogste punt van het oude centrum – al is ze voor ons helaas gesloten.
Le Beausset
We vervolgen onze weg en rijden 28 kilometer naar Le Beausset.
Le Beausset, 3 augustus 1646: Vrijdag reden we vroeg weg uit Aubagne en we kwamen door Le Beausset, waar we hebben uitgerust.
Le Beausset, in een groene vallei aan de voet van de Sainte-Baume, kent een geschiedenis die teruggaat tot de middeleeuwen. In 1361 stond hier een kerk gewijd aan Maria Tenhemelopneming. Na de instorting in 1802 bleef er weinig van over, en in 1903 moest ook de rest wijken voor het stadhuis. De huidige Église Notre-Dame de l’Assomption kwam in 1845 op het hoogste punt van het stadje te staan. Johan en Cornelis de Witt kwamen in 1646 slechts vluchtig door het dorp, maar namen wél de tijd voor een maaltijd – één gulden, netjes genoteerd in het kasboek.


Ook al hebben de broers de kerk niet gezien, we bezoeken hem toch even in het stille, haast uitgestorven Le Beausset en moeten ons daarna haasten om nog op tijd de laatste rondvaartboot in Toulon te halen.
Toulon

3 augustus 1646: De laatste 5 mijl reden we over bergachtige en steenachtige wegen. We kwamen voor de middag in Toulon aan. We verbleven ‘À la Tête Noire’.
We rijden gedurende 17 kilometer door een schitterend bergachtig landschap van Le Beausset naar Toulon. De broers zullen hun ogen hebben uitgekeken. Ze verbleven in Toulon van 3 tot 5 augustus 1646. Toulon ontwikkelde zich vanaf de middeleeuwen tot een strategische havenstad aan de Middellandse Zee. De Romeinen stichtten er al een tempel voor Mars en noemden de plek Telo Martius. In de 15e eeuw kreeg de stad een scheepswerf op initiatief van koning Karel VIII, wat het begin markeerde van Toulons rol als militaire haven. In de 16e eeuw werd ter verdediging de Tour Royale gebouwd, bij de ingang van de Petit Rade. Onder Lodewijk XIV kreeg Toulon een arsenaal naar ontwerp van Vauban en werd Fort Saint-Louis toegevoegd om de kust te beschermen tegen Engelse en Spaanse aanvallen. In de 17e eeuw was de stad uitgegroeid tot de belangrijkste marinebasis van Frankrijk – een functie die ze tot op de dag van vandaag vervult.

Het oude centrum van Toulon, vlak bij de haven, heeft ondanks bombardementen veel van zijn historische sfeer behouden. Rond de Cours Lafayette liggen smalle straten, markten en fonteinen, met zicht op de toegang tot de oude haven – eeuwenlang het hart van de stad. Bijzonder is de Cathédrale Notre-Dame-de-la-Seds. De huidige kerk kreeg haar vorm eind 17e eeuw, maar haar geschiedenis gaat terug tot de 5e eeuw. Opmerkelijk is dat ze in de winter van 1543-1544 tijdelijk als moskee diende voor de bemanning van de Ottomaanse admiraal Barbarossa, bondgenoot van François I. Zo’n 30.000 mannen verbleven toen in Toulon; bewoners moesten hun huizen afstaan. Wij kunnen de kerk vanwege een dienst alleen van buiten bekijken.
4 augustus 1646, Toulon: Zaterdag zijn we naar de galeien gevaren, die teruggekomen waren met de verslagen manschappen uit Orbetello.

De Slag bij Orbetello, van 14 juni tot 24 juli 1646, was een mislukte poging van de Franse vloot en troepen onder leiding van prins Thomas van Savoye en admiraal Jean Armand de Maillé-Brézé om de Spaanse vestingstad Orbetello aan de Toscaanse kust te veroveren. Kort na deze expeditie, die op niets uitliep, zagen Johan en Cornelis de Witt op 2 augustus in Toulon de galeien terugkeren – vol uitgeputte, berooide en gehavende overlevenden. Wij maken een boottocht door de haven van Toulon, waar nu vooral moderne marineschepen liggen. Terwijl we uitkijken over de Petit Rade, proberen we ons voor te stellen hoe het moet zijn geweest voor Johan en Cornelis, die hier 379 jaar eerder als ramptoeristen avant la lettre getuige waren van de terugkeer van de Franse galeien – een zichtbare nasleep van een mislukte expeditie die veel levens had geëist en weinig had opgeleverd.



Aan de haven eten wij – natuurlijk – een vers visje, vakkundig gefileerd door onze eigen chef-kok Marinka Joosten. Ook de broers De Witt zullen in 1646 in Toulon ongetwijfeld vis op het menu hebben gehad; zij gaven er 10 gulden en 13 stuivers uit aan overnachtingen en maaltijden.
Dag twee van onze petit tour reizen we van Solliès-Ville naar Sainte-Marie-de-la-Sainte-Baume.

